donderdag 28 mei 2009

Verhalen vertellen in de blok

Het is kalm op de sociale hogeschool in Kortrijk. De parking blinkt uit in leegte en de leslokalen ademen de sfeer van vakantie. Schijn bedriegt. Het is de vredigheid die voorafgaat aan de examenstorm. De studenten zijn in blok, docenten gebruiken de stilte om hun cursus te actualiseren en eindwerken te lezen.

Het hogeschoolleven is dubbel. Voor docenten is het cyclisch en dus voorspelbaar. Voor de studenten verschillen de studiejaren zo hard dat elk jaar een avontuur betekent. Van het vrije kotleven in het eerste jaar naar de stage in het tweede jaar, een buitenlandse ervaring in het derde jaar... Sommigen breien er een vierde jaar aan of zoeken enkele jaren de universiteit. Als het goed gaat tenminste. Volgende week breekt voor velen hier de hel los en dreigt een inferno. Het pad in de richting van de volwassenheid is geplaveid met trauma’s.

Na elk examen ben je een stukje minder mens, een pak meer volwassen. Wat is dat die volwassenheid? Moet je dat? Is het gemakkelijk? Hoe wordt je volwassen? Het zijn vragen om over na te denken. Een boeiend antwoord vond ik bij Jeroen Olyslaegers. Hij werd het door verhalen te vertellen. Je vertelt een verhaal over jezelf waarin je de pineut bent. Als iedereen aan tafel schuddebuikt van het lachen, ben je een stap dichter bij je volwassenheid. Zo zie ik mijn examenvragen. Op het mondelinge geschiedenisexamen is een klakkeloze reproductie geen kunst. Een kritisch of fris verhaal opbouwen, dat geeft zin. De vragen zijn hierbij handvaten, geen doel.Enfin, dat vertel ik in de les, daar sta ik achter. De laatste les staat in het teken van het examen. Studenten zijn dan stil, nooit heb ik zoveel aandacht als bij de examentips. De eerste tips zijn voor wie tijd heeft. Het leerrendement neemt toe met je activiteitsgraad. Lezen is onproductief, syntheses maken verhoogt de kennisopname en het vertellen is ronduit de beste methode. Vijftien jaar geleden studeerden wij solitair en kwamen geregeld samen om elkaar de dingen uit te leggen. We verdeelden daarbij de cursus op een logische wijze. Iedereen kreeg een ander hoofdstuk onder zijn verantwoordelijkheid. Bovendien werkt de methode goed ter voorbereiding van een mondeling. Je leert spreken, je kaken passen zich aan de woorden aan en vreemd geschreven namen spreek je uit zoals het hoort. Het is mooi als je tijd hebt.

Tip twee richt zich tot wie te laat begon, teveel tijd verloor met dat lief of wie niet van het vak houdt… Voor velen zijn de examens een probleem van tijd. Als student kan je wel wat hebben, maar een opa komt te overlijden, een lief maakt het uit... we kunnen zo wel een tijdje doorgaan. Dan heb je een andere strategie nodig. En daarover spreekt niemand. Toen ik mijn opleiding als sociaal cultureel werker begon, meende ik het serieus. Toch was er een vak dat me niet lag. Hoeveel ik ook studeerde, het ging er niet in. Helemaal niet. En als er al iets in ging, dan was ik het enkele dagen later weer vergeten. Ik stevende af op een buis om U tegen te zeggen. Nu, met de achternaam Wydooghe ging ik bij mondelinge examens steeds als laatste het examenlokaal binnen. Ik vond er niets beter op dan ’s morgens vroeg de wacht te houden bij het lokaal en alle buitenkomers te bevragen over hun vragen en antwoorden. Ik leerde als een papegaai die dag. Toen ik in de late namiddag de vragen trok uit een blind stapeltje kon ik mijn geluk niet op. Ik kende alles. Geen enkele vraag had geheimen. Om niet op te vallen, maakte ik één luttele fout. Ik behaalde 19 op 20 en bewees dat mijn intelligentie geen verband hield met mijn punten. De hoogste score in mijn studentencarrière. De noodprocedure leverde me waar voor mijn geld.

Een jaar later volgde het tweede deel van dat vak. Ik deed nu zelfs geen moeite meer. Ik zou vroeg in de morgen het stoutmoedige scenario herhalen. En daar zat ik dan. Acht uur kwart, wachtend bij de examendeur, niet wetend dat de docent nog moest beginnen. Toen de docent arriveerde, herkende ie me onmiddellijk. ‘Beste meneer Wydooghe, wat fijn u hier al te mogen begroeten.’ De man wist natuurlijk dat ik vorige keer een schitterend examen aflegde en hij nodigde me uit om onmiddellijk te starten. Mijn aarzeling wuifde hij weg met een tuttuttut. Ik haalde die dag de laagste score uit mijn carrière en de punten waren het spiegelbeeld van het vorige examen. 1 op 20. Omdat ik mijn naam juist schreef.

Het kan verkeren, zei Bredero. Dat was mijn verhaal. Ik ben straks benieuwd naar dat van jullie. En net daarom, blok ze, jongens en meisjes.

Ik wens jullie een schitterende examenperiode!

---

Op jeugdwerknet ben ik deze maand gastblogger. Tof dat ze me dat vroegen. De berichten die je nu leest zijn dus in functie daarvan geschreven. Zie: http://www.jeugdwerknet.be/blog/artikel/verhalen-vertellen-de-blok.

vrijdag 24 april 2009

‘Geexecuteert metten viere” omwille van 'toverie'

Op http://www.ikhebeenvraag.be/ vroeg een studente zich af of "magie" bestaat. Tegelijk poog ik om de heksenverbrandingen - die een einde maakten aan de magische maatschappij te verklaren. Het is een puzzel waar historici nog niet helemaal uit zijn.

Op 23 oktober 1684 wordt Martha van Wetteren verbrand in Belsele. Ze is 38 en heeft net een kind op de wereld gezet. Beschuldiging? Ze gebruikte magie: ze genas schapen van de pokken, deed graan groeien en vond een gestolen koe terug. Voor zover we weten is dit de laatst verbrande heks in Vlaanderen. In de meeste steden doven de brandstapels vroeger: in Brussel in 1595, de laatste verbranding vond in Antwerpen in 1603 plaats, in Leuven in 1612 en in Brugge in 1634. Magie bestond en bestaat. Sinds het einde van de heksenprocessen overleeft het als een marginaal fenomeen, maar het bestaat. Magie is te definiëren als het geloof in intermediairen (priesters, priesteressen, heksen, tovenaars, magiërs…) die via rituelen in contact komen met het bovennatuurlijke (god of de duivel) om te kunnen overleven in de onzekere, agrarische wereld. Concreet gaat het over het beïnvloeden van de vruchtbaarheid bij planten, dieren en mensen (onder meer via schoonheidscrèmes en een reeks seksuele functies), het genezen van planten, dieren en mensen, het voorspellen van de toekomst en het beheersen van natuurelementen. Tot de vijftiende eeuw is magie vrij probleemloos en wordt het nauwelijks bestraft. De hoeveelheid bronnen toont dat magie geen marginaal verschijnsel is, integendeel. De bevolking vindt de gebruiken normaal en gaat te rade bij de mannelijke en vrouwelijke magiërs. Een onderscheid tussen magie en wetenschap, tussen geloof en bijgeloof is er niet. Wiskunde, astrologie, handlezen vloeien probleemloos in elkaar over. In de vijftiende eeuw verandert die houding. In 1412 betalen een Brussels prostituee en iemand in Leuven boetes voor het bezit van lichaamsdelen van een dief. In 1491 verstrengt de bestraffing. In Antwerpen worden drie vrouwen op pelgrimstocht gestuurd omdat ze een terechtgestelde ontdeden van handen en hoofd. Het hoofd begraven ze onder hun voordeur, de handen onder de achterdeur. Wat betekenen deze magische rituelen? In het volksgeloof houden overblijfselen van terechtgestelden kwade geesten tegen… vandaar. Een bron om de heksenleer te bestuderen is de Heksenhamer of de Maleus Maleficarum uit 1486 van twee dominicanen. Hendrik Istitoris en Jacob Sprenger schreven deze handleiding voor heksenprocessen. Het boek kende een snelle en massale verspreiding dankzij de boekdrukkunst. Het document maakt Satan tot hoofd van de antikerk en construeert de demonologische heks. Hogere groepen zien hierin het kwade, voor de lagere klassen blijft magie echter een overlevingssysteem. De heksenverbrandingen die de zestiende eeuw zullen doorkruisen, kunnen starten. Een vraag waar historici hun tanden op breken is waarom deze gruwelijke heksenverbrandingen net in de Renaissance plaatsgrepen. Ik doe een poging om de keerzijde van de renaissancemedaille te belichten. Bijgeloof, volksgeloof en magie bevinden zich van oudsher op het machtskruispunt waar ook de staat, de wetenschap en het geloof samenkomen. In de zestiende eeuw creëren de staatvormingsprocessen, de wetenschappelijke belangstelling voor de oudheid, de reformatie en de contrareformatie een gemeenschappelijke vijand: de vrouw (80% van alle beschuldigingen) die magie bedrijft. Het wederkerig belang van wetenschap, kerk en staat materialiseert zich respectievelijk in 1. de vermannelijking van de wetenschap, 2. in een herkerstening en 3. in het strafrecht. Ik leg het uit. 1. De prille wetenschap in de zestiende en zeventiende eeuw verdrijft vrouwen uit de medische stand. De opkomende mannelijke geneeskunde tolereert niet langer het vrouwelijke bijgeloof en ziet zich hierin gerugsteund door de kerk. Die stelt de onprofessionele genezing gelijk aan ketterij. De kerk houdt bovendien toezicht op de beginnende medische wetenschap. Universitaire artsen oefenen geen praktijk uit zonder priester en behandelen geen patiënten die de biecht weigeren. 2. Het onderscheid tussen "vrouwelijk" bijgeloof en "mannelijke" wetenschap kristalliseert zich uit, op hetzelfde moment dat de godsdiensttroebelen een hoogtepunt bereiken: de herkerstening gebeurt onder meer door het uitbannen van alle vormen van bijgeloof. 3. Hekserij verdwijnt in de 18de eeuw uit het strafrecht. Daarvoor is het fenomeen nu te marginaal geworden. Samengevat: in de zestiende en zeventiende eeuw slaan kerk, wetenschap en staat de handen in elkaar om de scheiding tussen hun actieterreinen te voltrekken. Op dat actieterrein bevindt zich één gemeenschappelijke vijand, namelijk de magie, die zowel religieuze, wetenschappelijke als bestuurlijke aspiraties heeft.

---

http://www.kuleuven-kortrijk.be/facult/rechten/Monballyu/Rechtlagelanden/Heksenvlaanderen/heksenindex.htm

maandag 20 april 2009

http://info.scratch.mit.edu/About_Scratch

Het klinkt in alle geval veelbelovend. Nu de paasvakantie achter de rug is moeten de kids het absoluut eens probere... Scratch is a programming language that makes it easy to create your own interactive stories, animations, games, music, and art - and share your creations. As they create and share Scratch projects, young people learn important mathematical and computational ideas, while also learning to think creatively, reason systematically, and work collaboratively. Download here.

More about the ideas underlying Scratch: page for Educators.
To learn how to use: Support.
To read research papers: Research.
To find out who is working: Credits.
To read what people are saying: Quotes.

Ook even proberen: http://swarmsketch.com en deze site rond creatief denken: www.innowiz.be.

woensdag 1 april 2009

Een andere krant lezen help niet...


Ik trap een open deur in als ik stel dat de reële en vermeende onveiligheid, de gevoeligheid voor angst, geweld en agressie zich (schijnbaar) snel en onvermijdelijk uitbreidt. De ontkenning of een andere krant kiezen zoals criminoloog professor W.H. Nagel het vijfentwintig jaar geleden suggereerde, helpt niet meer.
De welzijnshistoricus en filosoof Hans Achterhuis kadert in zijn magnum opus Met alle geweld de geweldvormen op een filosofische, historische en antropologische wijze. Waarom verschenen de 793 bladzijden niet vroeger? De komst van dit veiligheidsparadigama situeert zich immers al tien jaar geleden. Historici en criminologen gebruiken als startpunt graag 9/11 (internationaal) of de zwarte zondag waarop het Vlaams Blok de verkiezingen won (nationaal).
Achterhuis formuleert zelf het antwoord. In de naweeën van de jaren zestig volstond een oneliner als antwoord op de vraag wat te doen tegen de geweldstoename of de roep naar meer veiligheid. Professor Nagel raadde aan een andere krant te lezen, en hij meende dat serieus. Progressieve welzijnswerkers omarmden de uitspraak en bagatelliseerden decennia lang (ook nu nog trouwens) een breed gedragen onbehagen en angstgevoelens. Dat weten we nu (bijna) allemaal. Tegenwoordig is de negatie onmogelijk. Nagel richtte zich toen tegen populistische kranten die geweld aandikten en uitvergrootten. Maar ook de kwaliteitskranten die Achterhuis tegenwoordig leest, berichten over de (schijnbaar?) gewelddadiger wordende samenleving.

Democide?!

En dan was er die Huizingalezing van de historicus en socioloog Abraham de Swaan met de titel ‘Moord en de staat.’ Hierin lanceert de Swaan het begrip democide: grootschalig dodelijk staatsgeweld tegen ongewapende burgers. Sinds Daniel Goldhagens Hitlers gewillige beulen zijn de geruststellende Holocausttheorieën (die zich vastbijten in het antisemitisme van de kwaadwillige nazitop) niet langer houdbaar. Deze theorieën stellen een kleine bizarre groep verantwoordelijk voor het uitroeien van zes miljoen joden. Dat we dat meer dan vijftig jaar geloofden, hou je niet voor mogelijk. Steeds meer worden we ervan overtuigt dat de Holocaust een diepe collectieve morele ontsporing was, eigen aan de industrialisatie en de bureaucratie van de 20ste eeuw. Zo weten we dat de Antwerpse politie actief en graag meehielp met de deportatie. Eigenaardig genoeg bleef de Holocaust in Denmarken op Frankrijk uit of vertoonde men in Brussel dit gedrag niet. Had "men" dus een keuze? Ik weet het niet. In elk geval is dit beeld is juister, maar verontrustender. Het betekent dat vervolging, met technologie, bureaucratie, repressie- en manipulatie morgen elders en tegen andere groepen kan. Het toon dat wij, u en ik misschien ooit in staat zijn om het slechtste in ons naar boven te halen. De afgelopen eeuw kende niet alleen de uitroeiing van zes miljoen joden maar maakte in totaal honderdzeventig miljoen (!) slachtoffers. Daar schrijven de geschiedenisboeken weinig over. ‘Het macaberste boek ooit’ de Statistics of Democide van Randolph J. Rummel toont dat vier regimes meer dan tien miljoen mensenlevens op hun geweten hebben, elf regimes vermoordden meer dan één miljoen burgers. Saddams Irak behoort ‘slechts’ tot de groep van zevenenveertig regimes met meer dan honderdduizend doden. Het probleem was/is zoals Goldhagen het uitdrukt, ‘de soepelheid, de ongelooflijke soepelheid’ van de razzia’s, de stiptheid van het transport, de efficiëntie van de executies en de gigantische omvang van de slachtoffers.

Een bureaucratisch exces

De Holocaust en de genociden die volgden waren van een andere orde dan de zoveelste antisemitische gruweldaad die de Europese geschiedenis kenmerkt, noteert Geert Mak. Het is een bureaucratisch exces waaraan veel mensen probleemloos deelnemen omdat ze “de orde en de regelmaat van hun bureau, dienst, legeronderdeel of bedrijfsafdeling hoger stellen dan hun individuele geweten.” Sebastian Haffner beschreef in 1944 in The Observer Albert Speer als de ‘verwerkelijking van de revolutie der managers.’ Speer was geen protserige en opzichtige nazi, neen hij was hoffelijk, intelligent en niet corrupt. Kortom het prototype van de briljante, klasseloze technocraat die belangrijk werd: de ambtenaar zonder achtergrond, die als enige doel heeft carrière maken. Die ondragelijke lichtheid, dat niet willen nadenken, deed en doet dit soort mensen de griezelige moordmachine tot het uiterste bedienen. De Swaans artikel is bijna te vreselijk om te lezen, stelt Achterhuis. Mag je dit beschrijf van buitensporig geweld je lezers aandoen, vraagt hij zich af. Wie heeft gelijk?
Toen de Volkskrant een commentaarloos stuk plaatste uit het dagboek van Hans Frank, de nazi gouverneur-generaal in Polen volgde een lawine verontwaardiging. Frank dacht in 1941 na over hoe hij de Joden zou ‘verwijderen.’ Niet alleen overlevenden vonden dit ‘weerzinwekkende journalistiek’, ook de jonge lezers waren verbijsterd over de haat en verachting. Anderen vroegen zich af of de huidige uitingen van vermeend antisemitisme niet te maken hebben met een verzet tegen de Israëlische bezettingspolitiek. Voor nog anderen was de vraag zo pervers, dat ze stellen al taboe was. Wie heeft gelijk? Als het om geweld gaat, stelt Achterhuis komen we er niet met objectieve verbanden. “Subjectieve ervaringen tellen ook zwaar mee. Wie ze snel terzijde schuift, doet in feiten hetzelfde als Nagel met zijn advies om een andere krant te gaan lezen.” Als De Swaan stelt dat er niets in het Nederlandse volkskarakter is dat een democide uitsluit, bevestigt Achterhuis dit. “Je moet in de afgelopen jaren wel heel naïef zijn gebleven om de juistheid hiervan te blijven ontkennen.”
Het is nog veel erger... De staat als de grote pleger van geweld? Het hoeft niet per definitie. De huidige etnische conflicten hebben vaak te maken met de zwakte of het ontbreken van een staatsmacht. 'Nation building' is dan dé remedie tegen de Hobbesiaanse ‘oorlog van allen tegen allen.’ Wie zal het zeggen? De ambtenaar en zijn onpersoonlijke bureaucratische efficiëntie die in een industriële maatschappij afstandelijk wordt van zijn medeburgers en daardoor in staat is om een Holocaust te realiseren is een beeld uit Zygmunt Baumans De moderne tijd en de Holocaust. Bauman lanceert in dat boek de voor velen scandaleuze stelling dat de Holocaust een product is van de moderne beschaving. Het premoderne antisemitisme kan volgens hem niet leiden tot een Holocaust. Met dit is Hans Achterhuis is het eens. Maar niet met het bureaucratische aspect ervan. Het is veel erger. Baumans bureaucratisch - emotionele afstand tussen dader en slachtoffer is geen vereiste voor genocide. Geweld kan in de moderniteit ook op niet industriële wijze: handmatig (de Rwandese genocide met de beruchte kapmessen). In tegenstelling tot Baumans stelling dat de onpersoonlijke bureaucratie en machinerie genocidale acten realiseert, ging het hier om handmatig moordende buren en vrienden. Buiten de industriële productie is dus ook een gestroomlijnde werkverdeling mogelijk. Geen blinde waanzin, maar een systematische en weloverwogen planning: honderdduizend Hutu’s werkten in ploeg als slachter. Het verhaal wordt steeds donkerder.
Help! Toch schetst Achterhuis lichtpunten. Een voorwaarde om een genocide te realiseren, is het conformisme van daders, slachtoffers en omstaanders. Mensen hebben eerbied voor macht. In een genocidale constellatie conformeert men zich snel met nieuwe normen en vergeet men vanzelfsprekendheden. Hoopgevend is het idee dat mensen die zich niet conformeren het moorden soms kunnen stoppen. De film Hotel Rwanda toont een Hutu die als hotelmanager Tutsi-vluchtelingen onderdak biedt. Ze overleefden. “Een houding van eenvoudig fatsoen bleek soms voldoende om moordenaars te stoppen, te laten aarzelen en aan het twijfelen te brengen over de vanzelfsprekendheid van hun handelen” stelt Achterhuis enigszins optimistisch… De ‘filmische’ realiteit laat het soms anders zien. Het bestuderen van dit non-conformisme zou (in tegenstelling tot de brave burger) voor studenten verplicht moeten zijn, stelt Hannah Arendt. Nazi’s werden er zelf onzeker van en veranderden soms van mening. Haar opmerking is autobiografisch. Na de Franse nederlaag in 1940 was ze in een kamp geïnterneerd en ze kreeg het bevel te wachten tot de bewaking kwam. De kampbevolking deed dat ordelijk. Arendt conformeerde niet en vertrok, zonder problemen. Arendt en Hotel Rawanda tonen de parallellen met Frankrijk en Denemarken en hun weigering om Joden uit te leveren.

---

De kaft van het werk van Achterhuis is toepasselijk geïllustreerd met schilderwerk van Daniel Richter: Kein Gespenst geht um (2002). Voor de tekst gebruikte ik behalve Achterhuis' Met alle geweld. Een filosofische zoektocht (p. 31-33, 345-356) Geert Maks In Europa (p. 555).

dinsdag 31 maart 2009

De geur van Andersen

Ik vond vandaag een document in mijn brievenbus met een wondermooi citaat. Het gaat over Denemarken, maar de makers van het document plaatsen er niet bij waar ze het citaat haalden. Op zich niet zo erg... Tof dat ze er de aanhalingstekens rond plaatsten, zo weten we tenminste dat het niet van hen komt. Even Googelen en het komt goed. Hier komt het: "In Denemarken hangt nog de geur van het oude Europa, een streek waar netheid regel is en alle groen door mensen gezaaid. Het land van Andersen, van droefgeestige moralisten, van elfen en trollen die ’s nachts voor boeiende dromen zorgen en overdag voor een opgewekt humeur." Schoon, niet? Het zou naar mijn aanvoelen van Geert Mak kunnen komen, dat is het eerste wat bij me opkomt. Ik zie het de grijze krullebol zo zeggen op het perron van een station. Het oude Europa, en de metafoor van de zintuigen: geur, kleur, humeur... En de verwijzing naar de literatuur, natuurlijk. Vanavond is het de laatste Mak uitzending, een extra lange editie, die ongeveer nu van start gaat. Mijn studenten moeten dit zien. Dat weten ze. Want vanavond gaan we het weten, we gaan het leren... wat is geschiedenis? Een vraag die Mak al tien jaar bezig houdt, mezelf al vijftien jaar. Wie weet wat we vanavond ontdekken. Op naar http://www.ineuropa.nl/.

Op het ritme van de seizoenen

Ik vind het altijd interessant om te weten hoe mensen en maatschappijen nadenken over "de" geschiedenis. Onlangs kwam er zo'n vraag op http://www.ikhebeenvraag.be/: Hoe bepaalde men in de middeleeuwen de geschiedenis. Ewel, hier komt mijn antwoord.
"In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Zo opent Umberto Eco zijn ‘De naam van de roos’. Deze middeleeuwse oerknal, dit startpunt van het middeleeuwse geschiedenisbeeld verklaart symbolisch het ontstaan van de wereld door een zevendaagse interventie van God. Over de vraag wanneer dit dan precies was, komt men tot verschillende conclusies. De Hebreeuws-bijbelse tijdlijn brengt ons bij 4046 voor Christus, de Joodse bij 3761. Nu, wat er ook van aan is, volgens Chaucer, de middeleeuwse kroniekschrijver, schiep god de mens in maart, wat het begin van het kerkelijk jaar verklaart. En omdat Pasen niet altijd op dezelfde datum valt, zijn de historische datering en de tijdsindeling in de middeleeuwen ook onnauwkeurig...

Hoe nauwkeurig is tijd?

Wie nadenkt over geschiedenis, denkt ook na over de tijdsindeling. Hoe mensen tegen de tijd aankijken verschilt van cultuur tot cultuur, van periode tot periode. Doordat de middeleeuwse mens dicht bij de natuur leeft, verschilt zijn tijdsopvatting en geschiedenisgedachte wezenlijk van de hedendaagse. Sinds de verlichting stelt de geschiedschrijving voornamelijk de vooruitgang centraal. In de middeleeuwen is er geen klok die de tijd ‘minutieus’ indeelt: er is enkel het gebed. De metten rond middernacht, het lof om drie uur in de morgen, de metten bij het ochtendgloren, de vespers om zes uur ’s avonds en de completen tegen bedtijd. Het zijn de “getijden des daags” zoals de mediëvist Johan Huizinga het in zijn ‘Herfsttij der middeleeuwen’ uitdrukt. De zes weekdagen en een rustdag structureren het scheppingsverhaal en verklaren zo de weekcycli. Achter die indeling steekt ervaring en observatie van geleerde enkelingen waarvan de middeleeuwer de herkomst nauwelijks kent. De tijdsmeting en de geschiedenis baseren zich op de cyclus. Zon en sterren zijn de wijzers op het uurwerk van de natuur, ze wijzen naar kerkelijke sacramenten, jaarfeesten of heiligendagen.

Praktisch en theoretisch

Enerzijds heeft de middeleeuwse geschiedenis een praktische component. De geschiedenisstudie beperkt zich tot de lezende en schrijvende elite: adel, geestelijkheid en niet te vergeten de tovenaars of tovenaressen (het begrip heks is van latere oorsprong). Zij verzamelen kennis en beslissen op basis van hun ervaring en hun inzichten (die alleen bij te houden zijn door het geschreven woord) wanneer boeren bijvoorbeeld mogen zaaien of oogsten. Anderzijds is het middeleeuwse historische denken vooral een theoretische bezigheid, gericht op de kennis van God. Volgens de middeleeuwse historici maken mensen geen geschiedenis. God maakt de geschiedenis en leidt de mensheid van de schepping naar het laatste oordeel of het eeuwige heil. Dit richt de blik van de middeleeuwer op de eindtijd (eschatologie).

Periodisering?

De middeleeuwer was zich uiteraard niet bewust dat hij in de middeleeuwen leefde. Toch kent hij een historisch besef: er is niet alleen het ‘nu’ er is een verleden en een toekomst, een voor en een na. De geschiedschrijvers stellen net zoals nu vast dat de geschiedenis zich laat opdelen in periodes.
1. Het oudste schema spreekt over de opeenvolging van vier rijken. Het Babylonische, het Perzische, het Macedonische en het Romeinse. Bij de ondergang van dit laatste eindigt de geschiedenis. Na de val van het West Romeinse Rijk blijft deze geschiedenisgedachte gangbaar. Karel de Grote en Otto de Grote worden immers nog als Romeins keizer beschouwd.
2. Augustinus ziet het anders. Voor hem is de geschiedenis een zesdaags proces (verwijzend naar de scheppingsdagen)van groei en verval dat hij vergelijkt met een mensenleven. De periode van Adam tot de zondvloed vormt de kindertijd van de maatschappij, van de zondvloed tot Abraham zien we de jeugd en van Abraham tot David kennen we het leven van de jongeling. Van David tot de Babylonische ballingschap is de periode van de volwassenheid en van de ballingschap tot Christus zien we de bejaarde maatschappij. Van christus komst tot de wederkomst treedt de ouderdom in. De zevende dag staat gelijk met de overgang naar het rijk Gods.
3. Aan het eind van de twaalfde eeuw ontwerpt Joachim van Fiore een schema naar de drie-eenheid. Na het rijk van de vader (van de schepping tot christus) volgt het rijk van de zoon (van christus tot de eigen tijd) en daarna het rijk van de heilige geest (tot de Wederkomst). Hitler zou hier elementen uit putten voor zijn ideologie van het derde rijk, maar dit ter zijde.
Al deze geschiedenisbenaderingen hebben één gedachte gemeenschappelijk. De geschiedenis is een proces van groei, bloei en verval en daarbinnen is er de herhaling, net zoals de jaargetijden. De cyclus of de cirkel, het levensrad of Liber floridus (ca. 1120) verbeelden deze opvatting.
Nu, tot hier het (ver)algemeen(d) kader. Voor de rest is het moeilijk om lichtvoetig over een periode van meer dan duizend jaar heen te stappen. Doorgaans worden de middeleeuwen ingedeeld in vier periodes. Het antwoord op de vraag ‘hoe zag men de geschiedenis’ zal anders zijn, naargelang de periode.

400-750

Tijdens de vroege middeleeuwen nemen de Germanen na de volksverhuizingen de taal en de cultuur van de Romeinen over. Maar het is niet zeker dat ze de Romeinse geschiedenis zouden bewaren. De kerkvaders Ambrosius, Hieronymus, Augustinus en Gregorius kennen die geschiedenis, maar doen geen bewaringspogingen.
Over de geschiedenis van de Germanen zelf bestaan diverse misverstanden.
1. Het idee dat de Germanen zich onderling verbonden voelen, is een Romeinse constructie die historici overnamen en hen deed zoeken naar een gemeenschappelijke oorsprong.
2. Het ontbreken van de schriftcultuur bij vele Germaanse stammen (op het runenschrift na) stelt de orale overlevering centraal: verhalen vervormen, worden hergeïnterpreteerd of gaan verloren.
3. De geschiedenissen van de Germaanse rijken komen van historici zoals Gregorius van Tours (de Franken), Jordanes (Ostrogoten), Isidorus van Sevilla (Visigoten, de Sueven en de Vandalen), Beda (Engelse volk) en Paulus Diaconus (Longobarden). Deze kersteninggeschiedenissen zijn met een korrel zout te nemen. De geschriften dateren van lang na de bekering en de auteurs stellen de oude koningen voorbeeldig voor, als een model voor de opvolgers.
4. Tot voor kort lazen we dat de barbaarse invallen een einde maakten aan de Romeinse beschaving. In werkelijkheid sloten de Germaanse heersers aan bij de Romeinse beschaving die zij al kenden toen ze aan de rijksgrens leefden. Ze vernietigden de beschaving niet, maar eigenden ze toe. Al zal een Romein er na de Visigotische plundering van Rome anders over denken. En zo wordt het Christendom voor de Germanen de toegangssleutel tot de Romeinse geschiedenis en versmelten Germaanse, antieke en christelijke elementen. Augustinus stelt in zijn De Civitate Dei dat de enige geschiedenis, de heilsgeschiedenis is.
Omstreeks 500, als Italië viermaal onder de voet gelopen is, duikt de conserveringsgedachte van de antieke kennis op bij de Romeinse patriciër Boëthius en de kloosterling Cassiodorus. Bisschoppelijke residenties en kloosters vormen het geheugen van de maatschappij. In zijn scriptorium leest, kopieert en bewaart de clericus (cfr. het woord klerk) klassieke én heidense boeken. Willibrord kopieert in het Utrechtse Sint-Maartensklooster de bijbel, Benedictus, Augustinus en de Romeinse historicus Livius. De eigen productie concentreert zich op de hagiografie. De heiligencultus en het vereren van martelaren (missionarissen, kloosterlingen, abten, abdissen…) richt zich op relieken en bewaart de missiegeschiedenis. Het heiligenleven functioneert als plaatselijke kroniek en het historisch bewustzijn van een gemeenschap.

750-1000

In deze periode komt Europa tot eenheid en betekent de Karolingische renaissance een hoogtepunt in de intellectuele cultuur. In de tiende eeuw stimuleren de Ottoonse de intellectuele productie. Van Hrotsvita van Gandersheim kennen we heiligenlevens, toneelstukken uit de oudheid en de geschiedenis van haar klooster en de biografie van Otto I. Deze laatste schreef ze in opdracht van Otto II. Biografieën van vorsten en kerkmannen, de annalen van kloosters, kathedraalscholen, bisdommen en bisschoppenlevens en ingrijpende gebeurtenissen zoals plunderingen van Vikingen worden op schrift gesteld. Het jaar 1000 leidt niet tot de massale vrees van het einde der tijden. Het besef komt enkel bij geschoolden zoals Adso van Montier-en-Der tot uiting. Hij schrijft een werk over de komst van de antichrist. Adso sterft op zee, tijdens een reis naar Jeruzalem, waar hij de eindtijd zou gadeslaan.

De feodale tijd (1000-1300)

Het hoogtepunt van de middeleeuwse cultuur valt in de 12de en 13de eeuw. Via Johannes van Salisbury kennen we het gezegde dat de middeleeuwse geleerden dwergen zijn op de schouders van reuzen. De geschiedenis van de antieken beschrijven en het becommentariëren van de heidense geschiedschrijvers is dé taak van de monnik. Hij doet het uit eerbied voor de antieken en om god te leren kennen. De Latijnse geschiedschrijving bloeit. De Benedictijn Ordericus Vitalis, één van de beste historici van zijn tijd, stelt dat de geschiedenis “een lofzang op de Schepper en de rechtvaardige Bestierder van alles” is. De geschiedenis krijgt een plaats in de liturgie en toont zo de weg waarlangs de mensheid zich optrekt naar het heil. Ze helpt de mens de goede richting te kiezen, de geschiedenis mondt uit in de toekomstblik, om in een veilige haven aan te komen. De Heilige Schrift die niets anders was dan een geschiedenisboek.
De kathedralenbouw, de universiteiten en de herontdekking van de geschriften van Aristoteles (het Griekse origineel vindt men in de Oost-Romeinse bibliotheken) doen Thomas Van Aquino zoeken naar een de verzoening van de rede en de openbaring. Dit resulteert in een rationele God en het vertrouwen dit te kunnen doorgronden. Het lezende publiek bestaat uit scholieren, studenten, geleerden en geestelijken. Het schrijvende publiek produceert annalen in kloosters en bisdommen, Bijbelse geschiedenissen, gewijde en profane geschiedenissen, wereldkronieken beschrijven Gods plan van de Schepping tot helden. De oudere geschiedenis heeft aandacht voor Alexander de Grote en de val van Troje. Deze verhalen zouden tot aan de Renaissance het beeld van de oudheid bepalen. De contemporaine geschiedenis concentreert zich op de kruistochten. Tijdens die kruistochten brengen de veroveraars allerlei schatten mee uit het beloofde land en ze beladen ze met historische en religieuze betekenissen. De drie encyclopedieën van Vincent van Beauvais uit 1250 over geloof, natuur en geschiedenis worden in 1300 aangevuld met een stuk moraal. Is er een andere tijd op komst?

De late middeleeuwen (1300-1500)

Als een klimaatswijziging, hongersnood de honderdjarige oorlog en de builenpest Europa in het midden van de waanzinnige veertiende eeuw teistert, sterft één op drie, worden dorpen en kloosters van de kaart geveegd. De vinding van het buskruid zorgt voor een mentaliteitsverandering in de vechtkunst. Waar men in 1250 bij een oorlog streeft naar zoveel mogelijk gevangenen, wil men er nu zoveel mogelijk doden. Het harnas maakt van de mens een wandelende vesting. Het vertrouwen van Thomas van Aquino maakt plaats voor de goddelijke ondoorgrondelijkheid van Johannes Duns Scotus en Willem van Ockam. De kunst om te sterven en de dood duiken op bij Dante, Boccaccio en Petrarca. Chaucer en Froissart verlenen zich de status van een spreker. “Je, Jehans dez Froissars, tresoriers et chnoine de Chimay” is de openingszin sinds 1300 en schuift de anonieme objectiverende middeleeuwer naar de achtergrond. De schrijver wijst de lezer op het feit dat het product van zijn hand is. Het ‘schrijven’ en ‘waarheid schrijven’ lijken niet meer het zelfde. Het is in deze eeuw vol ellende dat de mechanische klok op stadhuizen en kerken haar intrede doet en de eeuwenoude biologische cyclus verstoort. De tijdsbewustwording van de klok, installeert het idee van de verstreken tijd, het verglijden, de verloren tijd… en dus ook de tijd dieherwonnen kan worden. Binnenkort zijn de middeleeuwen voorbij: het individu en de (tijds)caluculatie kondigen nu al de renaissance, met een compleet andere geschiedenisvisie aan.

Belangrijkste bron: BEJCZY I. Een kennismaking met de middeleeuwse wereld. Coutinho, Bussum, 2004.

vrijdag 27 maart 2009

Callewaerts kermesse

Vorige vrijdag vertelde ik over de geschiedenis van een lang vergeten instrument: het accordeon uit Lichtervelde, beter gekend als de Callewaert. Het of de accordeon? In het woordenboek ontdekte showpresentator Hans Maertens dat we mogen kiezen. Enfin, hier komt mijn driedelige -waargebeurde - vertelling. Lichtervelde was weer even het Mekka van de accordeon.



1.

“Elk zne goen ovond. Overlatst loazek da us dialect ant utsterven is. Unesko sprikt niet van ‘t Lichtervelds, mo van ’t West Vloams. Mo vo mie bestoat da niet West Vloams. Dialect da is Kortemarks, Roeselaers of Lichtervelds. Worom zegge kik dadde ollemolle? Ewel, dialect in een tale is geliek n’en accordeong in de meziek. Dialect is nie plat, nint, dialect makt de tale nes, ’t ist vet up de soepe. En accordenongs zient dialect van de meziek: de krage van je pinte, ’t skum da bluft plakn up je lippen. En accordeongklankn zien zjust gelik et dialect een bedreigde soorte. Oet gedaen is met ’t dialect, ist gedaen met de leute. En let up mien woordn! Oet gedaen is met ’n accordeong, is ‘t gedaen met de kermesse. Me gaont zoverre nie laotn komn. Vandoge is ’t kermesse! Een feèste van de volkstoale en het volkinstrument. Een accordeongfeèste. Welkom up Callewaerts kermesse!
Beste meisn, zet jundre gemakkelijk, aenstikt een pupe en lustert noa ’t nieuws van de prochje. Nieuws? ’t Is eignliek ol oed nieuws, zo oud damt ollemolle vergetn zin. Ik gao ier een jammerlike historie vertellen. Over ‘t leevn van Felix en Eugene Callewaert. Voadre en zeune. Accordeongbouwers an de Zwaenebeke.”
We keren terug naar de zomer van 1914. ’t is kermis in Lichtervelde. Op de markt is het gezellig druk. De Margrietekermis draait op volle toeren. De kroegen en hun terrassen lijken op een schilderij van Vincent Van Gogh en de kinderen lopen door centrumstraten. Ze poseren voor een foto, als een fotograaf dat vraagt. “Allé, nog ne latste foto, voa dat doenker is en voa dam me de lukkers toedoen.” De gasverlichting gaat aan.
En er is muziek in het dorp. Een aangespoelde entrepreneur uit Zwevezele bouwt trekzakken. Al 25 jaar doet hij dat. Felix Callewaert. 1914. Callewaert heeft een accordeonfabriek, hier op het Gildhof. Hij zegt zelf dat zijn accordeons de beste zijn, de stevigste, de duurzaamste, de volmaaktste en daardoor de voordeligste. Bespeelt ze en ge zult overtuigd zijn.
Zijn accordeon is wereldberoemd. Eén ervan was te zien op de wereldtentoonstelling in Antwerpen in 1885, nu is dat al 20 jaar geleden. In zijn winkel verkoopt hij zijn product. In de etalage staan de mooiste exemplaren naast grammofonen en uurwerken. De goedkoopste trekzak kost 52 frank. In elk huishouden in Lichtervelde is er wel één te vinden. Het duurste accordeon is er één voor echte artiesten en kost zes keer zoveel: 300 frank. Achter de winkel is het woonhuis. Moeder Callewaert bestiert een grote menage: Celine, Achiel, Jeannette, Georgina, Arseen en Eugeen. Zes kinderen. Zelf zou ik het niet beter kunnen.
De accordeonfabriek stelt zes vakmensen te werk. In het atelier hoort de Felix het stemmen van de instrumenten en hij kijkt hoe de ambachtslui geconcentreerd en met gedempte stemmen praten, met passie voor de stiel. Een accordeon maak je met geduld. In het magazijn is het druk. Timmerwerk. Accordeons verpakt in houten kistjes staan klaar voor transport. Hij krijgt bestellingen uit alle continenten. Van het station van Lichtervelde sporen de accordeons tot in Antwerpen en van daaruit gaan ze met grote vrachtschepen naar de nieuwe wereld. Het instrument en zijn bouwer zijn bekend tot in Canada en Amerika. De Callewaert ging tot in Argentinië en Buenos Aires. En overal waar Callewaert kwam was er kermis! Tango!

2.

“Kweet et nog goed. ‘t Was in de zomre van vièrtiene. Te viern in ‘n achternoene begost de kostre de klokn te luwn. Niemand at da ol hoord. Ze peizden dat de kostre zot kwam. Ie liep van dene klokke na dandere en ie speelde zo kreuple gelik ne panikeur. Moa me verston ollemoale wuk datn wilde zegn. De sukkelare sloeg alarm vo nen brand die vier joar zout deuren.”
De kermiskramen raken niet weg uit Lichtervelde. Alle treinen zijn door het leger opgeëist. Jonge gasten, in de fleur van hun leven, ontvangen een oproepingsbrief. Eugene Callewaert, de zoon van Felix is twintig. Hij mag thuis blijven. Hij is vrijgesteld wegens broederdienst. Zijn broer Achiel is sergeant bij het Belgische leger.
Eugene ziet hoe de oorlog Lichtervelde verandert in een regimentsstad. Alle reclamen en opschriften op winkels moeten verduitst worden. Callewaert zet boven zijn vitrine “Uhren & Juwelen.” De Lichterveldenaars lachen en ze geven een eigen invulling aan “Uhren en Juwelen.” De ironie zou werkelijkheid worden. Binnen de kortste tijd liep het dorp vol met “Uhren”, maar dan zonder juwelen. Eugene en zijn vader kijken met grote ogen naar soldaten met snorren en punthelmen, naar het verse paardenvlees met leren zadels, ze zijn opgewonden en ze zien reusachtige rupsen met kanonnen die de kasseien doen krijsen, ze zien ontelbare soldatenbenen, vrachtwagens met blinkende rollen prikkeldraad en veldkeukens. En in de verte zien ze niets behalve de duisternis van het niemandsland. Als je goed luistert kan het front horen. Tot in Lichtervelde.
En dan komt de oorlog dichtbij. “Een plots getik werd hoorbaar” schrijft Callewaert. Eerst dacht hij dat zijn moeder de naaimachine aanzette. Maar ‘t was dat getik niet en ‘t was te kort op de middag. Het was een vliegtuigmoter. En dan een gefluit, niet het fluitje van een majoor, maar van een bom die naar beneden glijdt.
Stel je voor, doe je ogen dicht en beeld je Eugeen Callewaert in. Hij schrijft met zijn trekpen in zijn dagboek. 1915. Een stralende hemel, geen wolk. Straatkinderen lopen lachend, uitdagend en huppelend langs de troepen die voorbij de accordeonfabriek marcheren. Ze zingen.
En toen kwam ze, die bom. Die allereerste bom die bleef steken en niet ontplofte. Een inslag, in de Beverenstraat. De bom richt geen schade aan. Iedereen rent de straat op. De stafarts zoekt gewonden. En weer het vliegtuig. Vier uur in den achternoene. Twee bommen tussen al dat volk en al die soldaten. Halleluja, geallieerde smeerlappen. Godverdomme.
Callewaert weet niet hoeveel doden en gekwetsten hij ziet. “’t Is ool verschoeperd en verdimmelierd” lees ik in het dagboekje. Hevig bloedende vrouwen en kinderen zien er verschrikkelijk uit. De regimentsarts en de paardenknecht sterven ter plekke. De onderofficier is net uit verlof, hij sterft een dag nadien. Een dappere soldaat krijgt een granaatscherf in de longen. De onderluitenant komt weg met een scherf in de onderbenen en de wapenmeesters zijn zwaar gewond. Zes huizen en de apotheek zijn compleet vernield, een straat vol scherven. Callewaert ziet het allemaal gebeuren, recht tegenover de accordeonfabriek.
Een meisje met een keurig schortje lacht. Ze deelt Pernotbiscuits uit. Het meisje ziet in slow motion hoe een scherf haar schone schort scheurt. Haar koekentrommel valt uit haar handen. Pernotbiscuits waren een beroemd merk van toen, daar hoor je nu niets meer van… Van het meisje ook niet.
Ambulances, talloze ambulances voeren de slachtoffers weg. Een begrafenis. De begrafenisstoet is lang en de uitvaart is plechtig. Mannen met buis- en bolhoeden dragen de kisten. Hun hoofden staren naar de straatstenen. In deze stoet loopt ook het gezin Callewaert: vrijwel alle slachtoffers kenden zij: het buurmeisje, de buur jongen. Apotheker Vandeputte en vele anderen hebben het bombardement niet overleefd. En dan begint de stoet te bidden: onze vader die in de hemelen zijt. Geheiligd zij is uw naam. Uw rijk kome, uw wil geschiede.
Op het kerkhof torent het christuskruis hoog boven de rouwenden. Een Duitse blaaskapel luistert de uitvaart op. Er staan kisten in alle formaten. Het kleine kistje van het meisje met het gescheurde schortje en de pernotbiscuits staat tussen de vele andere kisten in.
Twee jaar later vallen er bommen op de fabriek. De trekzakken en de platendraaiers staan in lichterlaaie. Er wordt geblust met water uit de Zwanebeek tot het dakgebinte kreunend te pletter stort. Wat gaat er door Callewaert heen als de winkel, de werkplek en zijn woonhuis veranderen in een laaiende bouwval met rookpluimen die ver buiten Lichtervelde zichtbaar zijn? Wat gaat er door Callewaert heen als zijn hele hebben en houden reduceert tot niets?
Eugeen Callewaert komt gebroken uit de oorlog: hij is zijn ouders kwijt. Zijn broer sneuvelt bij het bevrijdingsoffensief. Hoeveel kan een mens verdragen? Ja, hoeveel kan een mens verdragen. Veel blijkbaar.
Na de oorlog zou alles anders worden. Eugeen leert een vrouw kennen op wie hij smoorverliefd wordt. Hij is stapelzot van Marie Louise en hij maakt de mooiste accordeons. Een accordeon behandel je als een vrouw: zacht en teder. Daar weet Frans Vanzieleghem alles van. Callewaert loopt met zijn hoofd in de wolken en lanceert een nieuwe en succesvolle reeks: de excelsiorreeks. Op elke toets zet hij een bevallig vrouwengezicht. In 1920 trouwt hij, en weer is er feest! Weer is er kermis! Callewaerts kermesse.

3.

“’t Is ovrol geweetn dat uze accordeons oal dandere overtrefn deur undre specioal accoord, ze zin onovertrofn en zuver van klank.”
De jonge Callewaert drukt zijn stempel op de firma. Hij leidt de productie met grote deskundigheid. Zelf is hij niet zo muzikaal. Hij genoot geen muziekonderwijs, maar hij kan als niemand anders de instrumenten tot in perfectie stemmen.
In de winkel kiezen accordeonisten uit tientallen modellen of ze laten er één op maat maken. In 1925 kost het goedkoopste 300 frank, de duurste bijna 15 keer zoveel: meer dan 4000 frank. Hier gaan luxeproducten naar buiten. Ze worden versierd met gravures en bloemen, er zijn fijn ingewerkte houtborduren van palisander, inlegwerk van diamanten, parelmoer en parels. Zijn medewerkers krijgen in deze tijd opslag. Van 90 tot 120 frank per week.
Tijdens de jaren dertig krijgt het accordeon concurrentie van de radio. En de winkel van Callewaert krijgt concurrentie van bazars en grootwarenhuizen. Callewaert geeft de accordeonisten de raad om enkel bij hem te kopen. “Wilt gij verzekerd zijn van eene eerlijke bediening, zendt uwe bestellingen rechtstreeks tot het huis Callewaert, alomgekend sedert lange jaren. Opgepast voor namaaksels en bazars die instrumenten verkoopen welke ze niet zelf vervaardigen.” Maar toch, het tij is niet meer te keren. Het instrument raakt stilaan in de vergeethoek. Eugene blijft een drukke zaak runnen. Hij verkoopt nu Barcoradio’s en hij engageert zich in de gemeentepolitiek. In het midden van de jaren dertig schopt hij het tot burgemeester van Lichtervelde.
En toen kwam opnieuw die oorlog.
Het verhaal is bekend. In 1942 wordt Callewaert samen met een veertigtal Lichterveldenaars gearresteerd. Hij wordt aangehouden voor het doorgeven van wapens. Het werd het stil in Lichtervelde. Iedereen zweeg als vermoord. Begin mei 1945 hoorden we droevig nieuws. Over de beul die zijn werk had gedaan. De mensen vloekten hun longen leeg. Het ongeluksgetal dertien heeft in Lichtervelde een bijzondere betekenis. Dertien dorpsgenoten met de valbijl omgebracht: burgemeester en accordeonbouwer Callewaert en twaalf anderen. Onthoofd in Wolfenbüttel.
Straks is het weer kermis. Elk jaar zal het kermis zijn en dat is niet te verdragen. Niet te harden. De feestvlaggen van de bevrijding worden ingeplooid. Het dorp rouwt. En dan slaat de verstomming om in woede. De Zwanebeek scheurt Lichtervelde in twee en zet een definitief punt achter Callewaerts kermesse. Van overal stuurt men bloemen naar Lichtervelde, ten teken van zware rouw. Lichtervelde werd een bloementapijt.


Bibliografie

BENEDICT WYDOOGHE. Zwanebeekvertellingen II. Cultuurvereniging De Burgersgilde & Perskring, 2009.

BENEDICT WYDOOGHE. Zwanebeekvertellingen. Perskring, Lichtervelde, 2006.

HUBERT BOONE. Accordeon en voetbas in België. Peeters, Leuven, 1990.

MICHEL DEWILDE (Ed.). Variétés. Een feestelijke blik op het accordeon 1850-1950. ultuurcentrum, Brugge, 2004.

MODEST MAERTENS. De stille strijd van Eugeen Callewaert burgemeester van Lichtervelde. De Windroos, Beerem, 1995.

RIA PATTYN. De Callewaert. Het verhaal van een accordeon die ooit 21 tonen en 10 bassen had. Uitgave in eigen beheer, Lichtervelde, sd.

ROGER HESSEL. Liedjes die eigenlijk niet mogen. Erotiek, Pornografie en Vulgarisme in het Vlaamse volkslied. VKH, Torhout, 2009.