woensdag 22 juli 2009

Kinderhandel 0. Proloog

Kgoa ne kè éne verteln...


"Kgoa ne kè éne verteln." Zo begon mijn opa indertijd zijn vertellementen. Telkens toen hij dit magische zinnetje uitsprak, wist iedereen dat er te zwijgen viel. Oudere Lichterveldenaars gebruiken deze magische spreuk nog om aandacht te trekken. Luisteren naar een spannend verhaal, een hilarische anekdote, een roddel waarvan niemand ooit de oorsprong zou achterhalen... met kinderlijke naïviteit luisterden we naar opa's zoveelste Zwanebeekvertelling.

Nu is het mijn beurt. Kgoa ne kè éne verteln. Niet over opa, maar over oma.

Mijn oma was een vroedvrouw. Onlangs vond ik in haar archief een klein notitieboekje. Daarin noteert zij - Marcella Debusschere is haar naam - in haar jonge jaren alle geboortes waarvoor ze instaat. Het boekje prikkelt mijn nieuwsgierigheid - ik heb zelf vijf kinderen - en zet me aan tot een onderzoek rond vroedkunde en kinderen maken, voorlichten en bevallen ten tijde van mijn oma. Dat wil zeggen: in Lichtervelde tijdens het interbellum en kort na de tweede wereldoorlog.

Op deze blog lees je mijn merkwaardige bevindingen van mijn huidige zoektocht naar de plaatselijke ‘kinderhandel.’

In december 2009 hoop ik deze verhandeling te publiceren in het jaarboek van de heemkundige kring van Lichtervelde. Internetters krijgen hier al een voorproefje en volgen mee hoe ik graaf in de geschiedenis van mijn eigen familie. De titel van de verhandeling luidt 'Kinderhandel'. De ondertitel is: 'Over moeders en vroeders, over kinderen kopen en verkopen'. Want zo ging mijn grootmoeder om met kinderen: kopen en verkopen.

Een tovenares…

Mietje Biljet, een weduwe die te kort bij ons in de heemkring actief was, kende mijn grootmoeder nooit persoonlijk. Toch weet ze exact over wie het gaat. “Marcella Busschere? Mijn man vertelde er in geuren en kleuren over. Hij kon niet zwijgen over die vrouw die hem op de wereld gezet had. Een wonder, een tovenares moet dat geweest zijn.” Het citaat is niet niks en illustreert hoe de goegemeente omging, ja zelfs opkeek naar deze vrouw... “Je oma is vroedvrouw” is een zinnetje dat ze me van thuis uit en van kindsbeen af meegeven. “Een eerbiedwaardig beroep. Niet zomaar het eerste het beste, maar even uniek als de moeder zelf…”

“Enfin” denk ik, terwijl ik terugrol in de tijd. Ik zie me nog staan, naast mijn grootmoeder, bij de buizestoof, als tienjarige koter met mijn handen in de zakken van mijn veel te korte broek... Veel kan ik me er niet bij voorstellen. ‘Vroedvrouw?’ Wat zou dat kunnen zijn... Maar overal waar ik kom, bij mijn speelkameraden of gewoon in de straat... spreken ouderlingen me aan als de kleinzoon van...

1972

De loopbaan van mijn oma loopt definitief ten einde bij mijn geboorte in 1972. Nu resten me een handvol herinneringen en overblijfselen van die respectabele carrière: de zwarte bakelieten telefoon met een ronde draaischijf bij het raam, haar vierkante kantoor met bloemetjesbehang en een waardig bruin bureaumeubel met schuiven langs beide kanten. Als kind loop ik onder het logge meubelstuk door. Het is elegant afgewerkt met gele staafjes aan de schuiven en ronde poten waar de houtworm in huist. Er steken poedertjes en zalfjes in de schuiven. De diverse potjes verspreiden even diverse geuren. Naast het bureau staat een bijhorende vitrinekast. Achter het glas ligt een dun aantekenboekje en een reeks studieboeken. Ik, het kind, mag erin kijken of erin tekenen. Ik doe dat samen met mijn opa, over de middag, als ik kom eten tijdens de schoolpauze. Ik kijk onder begeleiding van mijn grootvader naar de medische tekeningen. Als we bij de ‘vuile prenten’, de voorlichtingstekeningen komen, gaat het bladeren sneller. In de deur van de kast steekt een zwartleren tas met metalen, witzilveren instrumenten. Witzilver, net als het haar van mijn oma, dat ze de hele dag door kamt. De instrumenten blinken. Ik mag ze betasten en vasthouden, maar het is enkel de schaar die ik kan benoemen. Later leer ik dat het gaat om een verlostang, een sonde, een puit (of een haak) en een irrigator (voor het spoelen van de schede, viste ik uit). Een harde borstel, watten, lint en garen, opiumtinctuur (als verdoving) en moederkoren om de weeën op te wekken - andere noodzakelijke hulpmiddelen van een vroedvrouw - heb ik nooit gezien.
Verder steekt in de oude kast een koppel fototoestellen. Met de zwartvierkanten bakjes komt mijn grootmoeder haar studietijd door en later neemt ze foto’s van prille vaders met baby’s. Tijdens haar studententijd, ergens in de jaren dertig in Brugge laat ze zich fotograferen op het Belfort en voor diverse andere monumenten. De foto’s en de negatieven zijn er nog, maar de beeldkwaliteit is zo goed als verdwenen. Tussen de kast en de show, op het bloemetjesbehang hangt haar diploma en haar medaille in een gouden kader “met grootste onderscheiding geslaagd in het examen vereischt voor de uitoefening van het beroep van Vroedvrouw.” Zelf deed ze smalend over die grootste onderscheiding. Een non vertelde haar dat ze haar niet wilden delibereren met honderd procent, zodat ze het “niet te hoog in haar bol zou krijgen.”
Het diploma van vroedvrouw is in de kader vergezeld van een medaille van de stad Roeselare en de provincie West-Vlaanderen en een officieel papier dat aantoont dat ze bewijst “kennis te bezitten voor het bekomen van het bewijs van de 4de graad” uitgereikt op 25 juli 1931 in Roeselare. Een hard reclamekarton verstevigt de achterkant van de kader: het is een reclame van In de vier seizoenen, markt 3, opengehouden door familie van mijn oma, het koppel Boussauw – Tampere voor “pardesus en regenmantels, gemaakt en op maat, mans en vrouwstoffen.”

Stille uitvaart

Ondertussen is mijn oma heengegaan. Ze kreeg een stille uitvaart. Haar kinderen, mijn moeder en mijn nonkel, wilden dat zo. De kamer met het bureau is nu een herinnering. In het huis woon ik nu... Het vertrek zelf is verbouwd en de geuren zijn anders: geen poeders of zalfjes meer, hoogstens de geur van pleisterwerk, nieuwe verf en vernis. Boven een deurlijst hangt een restje bloemetjesbehang. Haar instrumenten belandden bij het oud ijzer, de studieboeken werden verdeeld onder belangstellende familieleden en het diploma ligt op mijn zolder.

In mijn boekenkast steekt nu het grijze aantekenboekje met meer dan zevenhonderd geboortes. De stoffen kaft van het grijze boekje voelt ruw en wat vet aan. De eerste zeven bladzijden zijn met een schaar uit het boek gesneden en daarna volgt een rubricering per schooljaar. De geboortes situeren zich tussen donderdag 1 augustus 1940 en een onbepaalde dag in 1955. De baby Lucrese Samyn opent de rij geboorten in 1940. Vijftien jaar later sluit Lucrese Desmet af. De oudste baby’s hebben nu de pensioensgerechtigde leeftijd bereikt, de jongsten zijn ergens midden de vijftig. Mijn grootmoeder plaatst haar aantekeningen in pen, potlood of balpen, ze zijn zakelijk, kort en uniform: voornaam en naam van het kind, tijdstip van geboorte, namen van de ouders, straatnaam en gemeente. Geen geboortegewicht, geen lengte of andere eenheden die men nu meet bij een geboorte. Geen roddel, geen weetjes, geen huisnummer.
Deze namenlijst vormt het begin van een speurtocht naar de Lichterveldse kinderhandel. De zoektocht brengt me bij plaatselijke vroedvrouwen en hun kraambedden en resulteert in een vertelling over het op één na oudste beroep.

---

Lees hier het volgende deel van mijn zoektocht naar de Lichterveldse kinderhandel. Wie herinneringen heeft of over interessante documenten beschikt, contacteer me via benedict.wydooghe@katho.be.

maandag 13 juli 2009

Sociale netwerken? Do's en dont's!

Op donderdag 26 november en 3 december doceer ik in Kortrijk voor Vorming plus over Facebook, Twitter, LinkedIn, MSN. Deze sociale netwerksites geven het web een uitgesproken sociaal karakter. Kinderen hebben er clubjes, jongeren wisselen er huiswerk uit. Studenten blijven met elkaar in contact ongeacht waar ze studeren. Jonge moeders tonen er trots hun babyfoto’s en volwassenen vinden er oude vrienden terug. Senioren praten er met hun kleinkinderen... Kortom, alles wat je in het echte leven doet, kan tegenwoordig via een sociale netwerksite. Deze cursus verkent die sites. Hoe zien ze er uit, wat doe je er en hoe doe je het? Na een kennismaking met de mogelijkheden volgt een kritische benadering: Welke gevaren loeren om de hoek en hoe wapen ik me best? Meer info volgt.

maandag 6 juli 2009

Opstel: "Mijn vakantie"

Zo, mijn gastbloggerschap voor jeugdwerknet zit er op. Tijdens de veel te lange examenmaand blogde ik bij jeugdwerknet. Niettegenstaande juni een ontzettend slechte maand is voor het jeugdwerk en de nieuwsgaring: examens sturen het hele sociaal culturele leven van kinderen en jongeren in de war. Journalisten bedachten een naam voor de periode: komkommertijd. Inspiratie voor mijn cursiefjes vond ik sneller dan gewenst aan de examentafel. Doorgaans blijft het stil langs deze kant van de examentafel. Nu is de tijd gekomen dat leerkrachten en lectoren zelf (moeten) luisteren.


Vandaar de rode draad doorheen deze blogologie: 'vertellen'. Het begon met een mijmering over verhalen vertellen in de blok, een bijdrage waarin ik stel dat studenten vooral leren door zelf te vertellen. Eigenaardig genoeg weet elke onderwijzer en elke pedagoog dat het leerrendement verhoogt met de activiteitsgraad, maar hoeveel scholen laten hun leerlingen echt zelf vertellen? Waar oefenen kinderen zich in het spreken voor een groep? Wie staat doorgaans vooraan in de klas? Ach...


En ik moet het zeggen, ik schreef graag voor jeugdwerknet. Een schrijfsel ging over spiektechnologie en de sterke verhalen die erbij horen, er was een eindwerkbespreking over verhalen en een 'spreekbeurt.' Het bericht over de facebookende docenten en studenten deed in verschillende hogescholen virtueel en reëel stof opwaaien. Vijfhonderd lezers en diverse reacties in twee dagen tijd. Wie het stukje miste, kan het nalezen op http://www.jeugdwerknet.be/blog/artikel/kristallen-bol-kijkt-studentenhoofd.


Ondertussen is de facebookwind gaan liggen en beleeft het jeugdwerk zijn feestmaanden. Festivals en kampen, reizen en niets doen, een vakantiejob of een tweede zit zorgen voor nog meer eigen verhalen, eigen vertellingen, eigen ervaringen, ja, eigen leerstof en kennis. Kinderen, leerlingen en studenten maken zich tientallen verhalen eigen en beleven ze bovendien zelf. En in september? 'Tja, dan mogen ze opnieuw gaan luisteren. In plaats van zelf te vertellen, schrijven ze met hun blauwe bick hoogstens een opstel of spreekbeurt met als titel "Mijn vakantie."


Ik wens iedereen een schitterend verlof vol van even schitterende verhalen. Noteer ze, post ze, blog ze... want dat zijn pas echte leer/levenservaringen! Voor sommige mensen staan leerervaringen gelijk aan schoolervaringen. Voor anderen zijn deze begrippen tegengestelden.

---

Wie zin heeft om zelf te bloggen of verhalen te schrijven, kan terecht bij Vormingplus in Kortrijk op donderdagen 14, 21 en 28 januari 2010. Benedict Wydooghe doceert er de cursus 'Bloggen is een werkwoord' en verkent in een eerste les de blogwereld. Wie zijn die bloggers? Wat schrijven ze? Hoe blijf je efficiënt op de hoogte? In les twee ga je aan de slag: behalve knoppenkennis, helpen schrijftips je aan een vlotte tekst en zorgen lay-outtips dat je tekst prettig oogt. Les drie werkt de blog af: je voegt foto of video toe en promotips zorgen dat je teksten een publiek krijgen.

donderdag 28 mei 2009

Verhalen vertellen in de blok

Het is kalm op de sociale hogeschool in Kortrijk. De parking blinkt uit in leegte en de leslokalen ademen de sfeer van vakantie. Schijn bedriegt. Het is de vredigheid die voorafgaat aan de examenstorm. De studenten zijn in blok, docenten gebruiken de stilte om hun cursus te actualiseren en eindwerken te lezen.

Het hogeschoolleven is dubbel. Voor docenten is het cyclisch en dus voorspelbaar. Voor de studenten verschillen de studiejaren zo hard dat elk jaar een avontuur betekent. Van het vrije kotleven in het eerste jaar naar de stage in het tweede jaar, een buitenlandse ervaring in het derde jaar... Sommigen breien er een vierde jaar aan of zoeken enkele jaren de universiteit. Als het goed gaat tenminste. Volgende week breekt voor velen hier de hel los en dreigt een inferno. Het pad in de richting van de volwassenheid is geplaveid met trauma’s.

Na elk examen ben je een stukje minder mens, een pak meer volwassen. Wat is dat die volwassenheid? Moet je dat? Is het gemakkelijk? Hoe wordt je volwassen? Het zijn vragen om over na te denken. Een boeiend antwoord vond ik bij Jeroen Olyslaegers. Hij werd het door verhalen te vertellen. Je vertelt een verhaal over jezelf waarin je de pineut bent. Als iedereen aan tafel schuddebuikt van het lachen, ben je een stap dichter bij je volwassenheid. Zo zie ik mijn examenvragen. Op het mondelinge geschiedenisexamen is een klakkeloze reproductie geen kunst. Een kritisch of fris verhaal opbouwen, dat geeft zin. De vragen zijn hierbij handvaten, geen doel.Enfin, dat vertel ik in de les, daar sta ik achter. De laatste les staat in het teken van het examen. Studenten zijn dan stil, nooit heb ik zoveel aandacht als bij de examentips. De eerste tips zijn voor wie tijd heeft. Het leerrendement neemt toe met je activiteitsgraad. Lezen is onproductief, syntheses maken verhoogt de kennisopname en het vertellen is ronduit de beste methode. Vijftien jaar geleden studeerden wij solitair en kwamen geregeld samen om elkaar de dingen uit te leggen. We verdeelden daarbij de cursus op een logische wijze. Iedereen kreeg een ander hoofdstuk onder zijn verantwoordelijkheid. Bovendien werkt de methode goed ter voorbereiding van een mondeling. Je leert spreken, je kaken passen zich aan de woorden aan en vreemd geschreven namen spreek je uit zoals het hoort. Het is mooi als je tijd hebt.

Tip twee richt zich tot wie te laat begon, teveel tijd verloor met dat lief of wie niet van het vak houdt… Voor velen zijn de examens een probleem van tijd. Als student kan je wel wat hebben, maar een opa komt te overlijden, een lief maakt het uit... we kunnen zo wel een tijdje doorgaan. Dan heb je een andere strategie nodig. En daarover spreekt niemand. Toen ik mijn opleiding als sociaal cultureel werker begon, meende ik het serieus. Toch was er een vak dat me niet lag. Hoeveel ik ook studeerde, het ging er niet in. Helemaal niet. En als er al iets in ging, dan was ik het enkele dagen later weer vergeten. Ik stevende af op een buis om U tegen te zeggen. Nu, met de achternaam Wydooghe ging ik bij mondelinge examens steeds als laatste het examenlokaal binnen. Ik vond er niets beter op dan ’s morgens vroeg de wacht te houden bij het lokaal en alle buitenkomers te bevragen over hun vragen en antwoorden. Ik leerde als een papegaai die dag. Toen ik in de late namiddag de vragen trok uit een blind stapeltje kon ik mijn geluk niet op. Ik kende alles. Geen enkele vraag had geheimen. Om niet op te vallen, maakte ik één luttele fout. Ik behaalde 19 op 20 en bewees dat mijn intelligentie geen verband hield met mijn punten. De hoogste score in mijn studentencarrière. De noodprocedure leverde me waar voor mijn geld.

Een jaar later volgde het tweede deel van dat vak. Ik deed nu zelfs geen moeite meer. Ik zou vroeg in de morgen het stoutmoedige scenario herhalen. En daar zat ik dan. Acht uur kwart, wachtend bij de examendeur, niet wetend dat de docent nog moest beginnen. Toen de docent arriveerde, herkende ie me onmiddellijk. ‘Beste meneer Wydooghe, wat fijn u hier al te mogen begroeten.’ De man wist natuurlijk dat ik vorige keer een schitterend examen aflegde en hij nodigde me uit om onmiddellijk te starten. Mijn aarzeling wuifde hij weg met een tuttuttut. Ik haalde die dag de laagste score uit mijn carrière en de punten waren het spiegelbeeld van het vorige examen. 1 op 20. Omdat ik mijn naam juist schreef.

Het kan verkeren, zei Bredero. Dat was mijn verhaal. Ik ben straks benieuwd naar dat van jullie. En net daarom, blok ze, jongens en meisjes.

Ik wens jullie een schitterende examenperiode!

---

Op jeugdwerknet ben ik deze maand gastblogger. Tof dat ze me dat vroegen. De berichten die je nu leest zijn dus in functie daarvan geschreven. Zie: http://www.jeugdwerknet.be/blog/artikel/verhalen-vertellen-de-blok.

vrijdag 24 april 2009

‘Geexecuteert metten viere” omwille van 'toverie'

Op http://www.ikhebeenvraag.be/ vroeg een studente zich af of "magie" bestaat. Tegelijk poog ik om de heksenverbrandingen - die een einde maakten aan de magische maatschappij te verklaren. Het is een puzzel waar historici nog niet helemaal uit zijn.

Op 23 oktober 1684 wordt Martha van Wetteren verbrand in Belsele. Ze is 38 en heeft net een kind op de wereld gezet. Beschuldiging? Ze gebruikte magie: ze genas schapen van de pokken, deed graan groeien en vond een gestolen koe terug. Voor zover we weten is dit de laatst verbrande heks in Vlaanderen. In de meeste steden doven de brandstapels vroeger: in Brussel in 1595, de laatste verbranding vond in Antwerpen in 1603 plaats, in Leuven in 1612 en in Brugge in 1634. Magie bestond en bestaat. Sinds het einde van de heksenprocessen overleeft het als een marginaal fenomeen, maar het bestaat. Magie is te definiëren als het geloof in intermediairen (priesters, priesteressen, heksen, tovenaars, magiërs…) die via rituelen in contact komen met het bovennatuurlijke (god of de duivel) om te kunnen overleven in de onzekere, agrarische wereld. Concreet gaat het over het beïnvloeden van de vruchtbaarheid bij planten, dieren en mensen (onder meer via schoonheidscrèmes en een reeks seksuele functies), het genezen van planten, dieren en mensen, het voorspellen van de toekomst en het beheersen van natuurelementen. Tot de vijftiende eeuw is magie vrij probleemloos en wordt het nauwelijks bestraft. De hoeveelheid bronnen toont dat magie geen marginaal verschijnsel is, integendeel. De bevolking vindt de gebruiken normaal en gaat te rade bij de mannelijke en vrouwelijke magiërs. Een onderscheid tussen magie en wetenschap, tussen geloof en bijgeloof is er niet. Wiskunde, astrologie, handlezen vloeien probleemloos in elkaar over. In de vijftiende eeuw verandert die houding. In 1412 betalen een Brussels prostituee en iemand in Leuven boetes voor het bezit van lichaamsdelen van een dief. In 1491 verstrengt de bestraffing. In Antwerpen worden drie vrouwen op pelgrimstocht gestuurd omdat ze een terechtgestelde ontdeden van handen en hoofd. Het hoofd begraven ze onder hun voordeur, de handen onder de achterdeur. Wat betekenen deze magische rituelen? In het volksgeloof houden overblijfselen van terechtgestelden kwade geesten tegen… vandaar. Een bron om de heksenleer te bestuderen is de Heksenhamer of de Maleus Maleficarum uit 1486 van twee dominicanen. Hendrik Istitoris en Jacob Sprenger schreven deze handleiding voor heksenprocessen. Het boek kende een snelle en massale verspreiding dankzij de boekdrukkunst. Het document maakt Satan tot hoofd van de antikerk en construeert de demonologische heks. Hogere groepen zien hierin het kwade, voor de lagere klassen blijft magie echter een overlevingssysteem. De heksenverbrandingen die de zestiende eeuw zullen doorkruisen, kunnen starten. Een vraag waar historici hun tanden op breken is waarom deze gruwelijke heksenverbrandingen net in de Renaissance plaatsgrepen. Ik doe een poging om de keerzijde van de renaissancemedaille te belichten. Bijgeloof, volksgeloof en magie bevinden zich van oudsher op het machtskruispunt waar ook de staat, de wetenschap en het geloof samenkomen. In de zestiende eeuw creëren de staatvormingsprocessen, de wetenschappelijke belangstelling voor de oudheid, de reformatie en de contrareformatie een gemeenschappelijke vijand: de vrouw (80% van alle beschuldigingen) die magie bedrijft. Het wederkerig belang van wetenschap, kerk en staat materialiseert zich respectievelijk in 1. de vermannelijking van de wetenschap, 2. in een herkerstening en 3. in het strafrecht. Ik leg het uit. 1. De prille wetenschap in de zestiende en zeventiende eeuw verdrijft vrouwen uit de medische stand. De opkomende mannelijke geneeskunde tolereert niet langer het vrouwelijke bijgeloof en ziet zich hierin gerugsteund door de kerk. Die stelt de onprofessionele genezing gelijk aan ketterij. De kerk houdt bovendien toezicht op de beginnende medische wetenschap. Universitaire artsen oefenen geen praktijk uit zonder priester en behandelen geen patiënten die de biecht weigeren. 2. Het onderscheid tussen "vrouwelijk" bijgeloof en "mannelijke" wetenschap kristalliseert zich uit, op hetzelfde moment dat de godsdiensttroebelen een hoogtepunt bereiken: de herkerstening gebeurt onder meer door het uitbannen van alle vormen van bijgeloof. 3. Hekserij verdwijnt in de 18de eeuw uit het strafrecht. Daarvoor is het fenomeen nu te marginaal geworden. Samengevat: in de zestiende en zeventiende eeuw slaan kerk, wetenschap en staat de handen in elkaar om de scheiding tussen hun actieterreinen te voltrekken. Op dat actieterrein bevindt zich één gemeenschappelijke vijand, namelijk de magie, die zowel religieuze, wetenschappelijke als bestuurlijke aspiraties heeft.

---

http://www.kuleuven-kortrijk.be/facult/rechten/Monballyu/Rechtlagelanden/Heksenvlaanderen/heksenindex.htm

maandag 20 april 2009

http://info.scratch.mit.edu/About_Scratch

Het klinkt in alle geval veelbelovend. Nu de paasvakantie achter de rug is moeten de kids het absoluut eens probere... Scratch is a programming language that makes it easy to create your own interactive stories, animations, games, music, and art - and share your creations. As they create and share Scratch projects, young people learn important mathematical and computational ideas, while also learning to think creatively, reason systematically, and work collaboratively. Download here.

More about the ideas underlying Scratch: page for Educators.
To learn how to use: Support.
To read research papers: Research.
To find out who is working: Credits.
To read what people are saying: Quotes.

Ook even proberen: http://swarmsketch.com en deze site rond creatief denken: www.innowiz.be.

woensdag 1 april 2009

Een andere krant lezen help niet...


Ik trap een open deur in als ik stel dat de reële en vermeende onveiligheid, de gevoeligheid voor angst, geweld en agressie zich (schijnbaar) snel en onvermijdelijk uitbreidt. De ontkenning of een andere krant kiezen zoals criminoloog professor W.H. Nagel het vijfentwintig jaar geleden suggereerde, helpt niet meer.
De welzijnshistoricus en filosoof Hans Achterhuis kadert in zijn magnum opus Met alle geweld de geweldvormen op een filosofische, historische en antropologische wijze. Waarom verschenen de 793 bladzijden niet vroeger? De komst van dit veiligheidsparadigama situeert zich immers al tien jaar geleden. Historici en criminologen gebruiken als startpunt graag 9/11 (internationaal) of de zwarte zondag waarop het Vlaams Blok de verkiezingen won (nationaal).
Achterhuis formuleert zelf het antwoord. In de naweeën van de jaren zestig volstond een oneliner als antwoord op de vraag wat te doen tegen de geweldstoename of de roep naar meer veiligheid. Professor Nagel raadde aan een andere krant te lezen, en hij meende dat serieus. Progressieve welzijnswerkers omarmden de uitspraak en bagatelliseerden decennia lang (ook nu nog trouwens) een breed gedragen onbehagen en angstgevoelens. Dat weten we nu (bijna) allemaal. Tegenwoordig is de negatie onmogelijk. Nagel richtte zich toen tegen populistische kranten die geweld aandikten en uitvergrootten. Maar ook de kwaliteitskranten die Achterhuis tegenwoordig leest, berichten over de (schijnbaar?) gewelddadiger wordende samenleving.

Democide?!

En dan was er die Huizingalezing van de historicus en socioloog Abraham de Swaan met de titel ‘Moord en de staat.’ Hierin lanceert de Swaan het begrip democide: grootschalig dodelijk staatsgeweld tegen ongewapende burgers. Sinds Daniel Goldhagens Hitlers gewillige beulen zijn de geruststellende Holocausttheorieën (die zich vastbijten in het antisemitisme van de kwaadwillige nazitop) niet langer houdbaar. Deze theorieën stellen een kleine bizarre groep verantwoordelijk voor het uitroeien van zes miljoen joden. Dat we dat meer dan vijftig jaar geloofden, hou je niet voor mogelijk. Steeds meer worden we ervan overtuigt dat de Holocaust een diepe collectieve morele ontsporing was, eigen aan de industrialisatie en de bureaucratie van de 20ste eeuw. Zo weten we dat de Antwerpse politie actief en graag meehielp met de deportatie. Eigenaardig genoeg bleef de Holocaust in Denmarken op Frankrijk uit of vertoonde men in Brussel dit gedrag niet. Had "men" dus een keuze? Ik weet het niet. In elk geval is dit beeld is juister, maar verontrustender. Het betekent dat vervolging, met technologie, bureaucratie, repressie- en manipulatie morgen elders en tegen andere groepen kan. Het toon dat wij, u en ik misschien ooit in staat zijn om het slechtste in ons naar boven te halen. De afgelopen eeuw kende niet alleen de uitroeiing van zes miljoen joden maar maakte in totaal honderdzeventig miljoen (!) slachtoffers. Daar schrijven de geschiedenisboeken weinig over. ‘Het macaberste boek ooit’ de Statistics of Democide van Randolph J. Rummel toont dat vier regimes meer dan tien miljoen mensenlevens op hun geweten hebben, elf regimes vermoordden meer dan één miljoen burgers. Saddams Irak behoort ‘slechts’ tot de groep van zevenenveertig regimes met meer dan honderdduizend doden. Het probleem was/is zoals Goldhagen het uitdrukt, ‘de soepelheid, de ongelooflijke soepelheid’ van de razzia’s, de stiptheid van het transport, de efficiëntie van de executies en de gigantische omvang van de slachtoffers.

Een bureaucratisch exces

De Holocaust en de genociden die volgden waren van een andere orde dan de zoveelste antisemitische gruweldaad die de Europese geschiedenis kenmerkt, noteert Geert Mak. Het is een bureaucratisch exces waaraan veel mensen probleemloos deelnemen omdat ze “de orde en de regelmaat van hun bureau, dienst, legeronderdeel of bedrijfsafdeling hoger stellen dan hun individuele geweten.” Sebastian Haffner beschreef in 1944 in The Observer Albert Speer als de ‘verwerkelijking van de revolutie der managers.’ Speer was geen protserige en opzichtige nazi, neen hij was hoffelijk, intelligent en niet corrupt. Kortom het prototype van de briljante, klasseloze technocraat die belangrijk werd: de ambtenaar zonder achtergrond, die als enige doel heeft carrière maken. Die ondragelijke lichtheid, dat niet willen nadenken, deed en doet dit soort mensen de griezelige moordmachine tot het uiterste bedienen. De Swaans artikel is bijna te vreselijk om te lezen, stelt Achterhuis. Mag je dit beschrijf van buitensporig geweld je lezers aandoen, vraagt hij zich af. Wie heeft gelijk?
Toen de Volkskrant een commentaarloos stuk plaatste uit het dagboek van Hans Frank, de nazi gouverneur-generaal in Polen volgde een lawine verontwaardiging. Frank dacht in 1941 na over hoe hij de Joden zou ‘verwijderen.’ Niet alleen overlevenden vonden dit ‘weerzinwekkende journalistiek’, ook de jonge lezers waren verbijsterd over de haat en verachting. Anderen vroegen zich af of de huidige uitingen van vermeend antisemitisme niet te maken hebben met een verzet tegen de Israëlische bezettingspolitiek. Voor nog anderen was de vraag zo pervers, dat ze stellen al taboe was. Wie heeft gelijk? Als het om geweld gaat, stelt Achterhuis komen we er niet met objectieve verbanden. “Subjectieve ervaringen tellen ook zwaar mee. Wie ze snel terzijde schuift, doet in feiten hetzelfde als Nagel met zijn advies om een andere krant te gaan lezen.” Als De Swaan stelt dat er niets in het Nederlandse volkskarakter is dat een democide uitsluit, bevestigt Achterhuis dit. “Je moet in de afgelopen jaren wel heel naïef zijn gebleven om de juistheid hiervan te blijven ontkennen.”
Het is nog veel erger... De staat als de grote pleger van geweld? Het hoeft niet per definitie. De huidige etnische conflicten hebben vaak te maken met de zwakte of het ontbreken van een staatsmacht. 'Nation building' is dan dé remedie tegen de Hobbesiaanse ‘oorlog van allen tegen allen.’ Wie zal het zeggen? De ambtenaar en zijn onpersoonlijke bureaucratische efficiëntie die in een industriële maatschappij afstandelijk wordt van zijn medeburgers en daardoor in staat is om een Holocaust te realiseren is een beeld uit Zygmunt Baumans De moderne tijd en de Holocaust. Bauman lanceert in dat boek de voor velen scandaleuze stelling dat de Holocaust een product is van de moderne beschaving. Het premoderne antisemitisme kan volgens hem niet leiden tot een Holocaust. Met dit is Hans Achterhuis is het eens. Maar niet met het bureaucratische aspect ervan. Het is veel erger. Baumans bureaucratisch - emotionele afstand tussen dader en slachtoffer is geen vereiste voor genocide. Geweld kan in de moderniteit ook op niet industriële wijze: handmatig (de Rwandese genocide met de beruchte kapmessen). In tegenstelling tot Baumans stelling dat de onpersoonlijke bureaucratie en machinerie genocidale acten realiseert, ging het hier om handmatig moordende buren en vrienden. Buiten de industriële productie is dus ook een gestroomlijnde werkverdeling mogelijk. Geen blinde waanzin, maar een systematische en weloverwogen planning: honderdduizend Hutu’s werkten in ploeg als slachter. Het verhaal wordt steeds donkerder.
Help! Toch schetst Achterhuis lichtpunten. Een voorwaarde om een genocide te realiseren, is het conformisme van daders, slachtoffers en omstaanders. Mensen hebben eerbied voor macht. In een genocidale constellatie conformeert men zich snel met nieuwe normen en vergeet men vanzelfsprekendheden. Hoopgevend is het idee dat mensen die zich niet conformeren het moorden soms kunnen stoppen. De film Hotel Rwanda toont een Hutu die als hotelmanager Tutsi-vluchtelingen onderdak biedt. Ze overleefden. “Een houding van eenvoudig fatsoen bleek soms voldoende om moordenaars te stoppen, te laten aarzelen en aan het twijfelen te brengen over de vanzelfsprekendheid van hun handelen” stelt Achterhuis enigszins optimistisch… De ‘filmische’ realiteit laat het soms anders zien. Het bestuderen van dit non-conformisme zou (in tegenstelling tot de brave burger) voor studenten verplicht moeten zijn, stelt Hannah Arendt. Nazi’s werden er zelf onzeker van en veranderden soms van mening. Haar opmerking is autobiografisch. Na de Franse nederlaag in 1940 was ze in een kamp geïnterneerd en ze kreeg het bevel te wachten tot de bewaking kwam. De kampbevolking deed dat ordelijk. Arendt conformeerde niet en vertrok, zonder problemen. Arendt en Hotel Rawanda tonen de parallellen met Frankrijk en Denemarken en hun weigering om Joden uit te leveren.

---

De kaft van het werk van Achterhuis is toepasselijk geïllustreerd met schilderwerk van Daniel Richter: Kein Gespenst geht um (2002). Voor de tekst gebruikte ik behalve Achterhuis' Met alle geweld. Een filosofische zoektocht (p. 31-33, 345-356) Geert Maks In Europa (p. 555).