maandag 7 juni 2010
Kapelletjeskroniek
Karel Vangheluwes "Kapelletjeskroniek der laatste eeuw" is in een geactualiseerde versie verschenen op http://www.softpol.net/kvg. De moeite!
vrijdag 2 april 2010
Voorbij de vrijheid van meningsuiting: het spreekrecht op de helling
Mag je iemand verhinderen om te spreken? Kan je een spreker het spreekrecht ontnemen? Geroep, gebrul en bedreigingen van extremisten zorgden er woensdag voor dat Benno Barnards provocerende lezing niet doorging. Ooit raakte Noam Chomsky in een gelijkaardige polemiek verwikkeld en kwam hij op een lezing nauwelijks aan gesprek toe. Hij nam het toen op voor het recht op de mening van de negationist Robert Furisson. “Meneer, ik verafschuw uw mening, maar ik wil vechten voor uw recht om ze te verkondigen.” Deze zestien woorden, toegeschreven aan Voltaire, verwoorden de democratische paradox: het spreekrecht verdedigen is niet gelijk aan het verdedigen van de inhoud. Dat is zonneklaar sinds de Franse revolutie (1789) of de Engelse glorieus revolution (1688). Wie dit niet wil inzien draait de klok een stevig eind terug of heeft dringend geschiedenisles nodig. Vrijheid van mening geldt wel of niet en altijd of nooit. Een tussenweg is er niet. Een beetje vrije meningsuiting bestaat er niet. En die vrijheid is er voor welgevallige én voor onwelvoeglijke meningen. Wie bepaalt anders wat kan en wat niet kan? Dit alles houdt natuurlijk in dat je allereerst de kans moet krijgen om te kunnen spreken. Benno Barnard kreeg niet eens de mogelijkheid om zijn uiteenzetting te doen. Dat staat gelijk met censuur, een instrument dat alle totalitaire regimes kenmerkt. Eén voor één hebben die een uitgebreid instrumentarium om afwijkende meningen uit te wissen en hun eigenaars, als het moet een kopje kleiner te maken. Intellectuelen en kunstenaars vonden in ons land in het verleden bescherming op hun vlucht voor intolerante regimes. Dirk Verhofstadt slaat de nagel op de kop als hij schrijft dat België een lange traditie van verdraagzaamheid en vrije meningsuiting heeft en dat het beter zo kan blijven. Dit is geen conservatief, maar een progressief standpunt. In een parlementaire democratie is Freedom of Speech immers even delicaat als vitaal. Delicaat? Het principe is makkelijk onderuit te halen door geroep en getier, door moddergevechten of vuilspuiterij. Vitaal? Eenmaal het principe onderuit is gehaald, staan totalitaire poorten open en functioneert de democratie niet meer. Het moddergevecht aan de universiteit van Antwerpen zet verworvenheden van de verlichting op de helling, met het risico ons terug te katapulteren naar een of ander ancien regime.
woensdag 31 maart 2010
‘Pas ce soir, chéri(e)!’
De ULB viert haar 175ste verjaardag met de tentoonstelling ‘Pas ce soir, chéri(e)!’, over de cultuurhistorische achtergrond van seksualiteit. De expo heeft als hamvraag ‘Zijn we bevrijd?’ Een aandoenlijk stuk in de tento is een brief van Leopold I uit 1853 aan zijn nicht, de Engelse koningin Victoria. Daarin schrijft hij dat zijn zoon – de latere Leopold II –best zo vlug mogelijk kan huwen, als hij geen last wil ondervinden van de psychologische en fysiologische gevolgen van zijn onanie. De toekomstig koning lijkt af te stevenen op levenslange doofheid en een gruwelijke dood. Hij kan het vermijden door te turnen, door intellectuele bezigheden, door het lezen van de bijbel en vooral door dingen niet te doen: overdadig eten, het bijwonen van theaterstukken, bals,ambigue of wufte conversaties… En als de wilskracht niet helpt, dan zijn er handboeien en andere attributen. Het verbod past in de negentiende eeuwse ‘économie spermatique’ waarbij psychiaters en artsen de rol van de priester in de seksualiteitsbeleving geleidelijk aan overnemen.
Ze schrijven het gewenste aantal betrekkingen voor (jonge mannen 2 à 3 keer per week, wie de vijftig nadert driewekelijks en een verbod voor zestig plussers) en zijn ietwat overdreven bekommerd om de hysterische vrouw. Hysterie, Grieks voor baarmoeder, vraagt begeleiding, met baden, massages en het eerste elektrische huishoudtoestel in kranten omschreven als: ‘Aids that every woman appreciates.’ We zagen ze in alle vormen en kleuren, met opschriften en tekeningen. In ‘Livres de confessions’ – een ander object in de tentoonstelling – lees je hoe biechtvaders meisjes bevragen over hun wellust. Paradoxaal genoeg ontdekken meisjes masturbatie in de biechtstoel als de pastoor vraagt: “Waar raak je jezelf en waar doet het deugd?” Toen de medische wereld bewijst dat het orgasme de vruchtbaarheid bevordert, duiken handboeken op voor de genietende vrouw. Maar toch. Vrouwen mag je blijkbaar niet verwennen, want net zij is voorbestemd tot nymfomanie.
Als rond 1840 de ovulatiecyclus ontdekt wordt, is het afgelopen met het vrouwelijk orgasme. Alle medische, religieuze, politieke, juridische spelers zijn het eens: de enige seksualiteit is heteroseksueel, in het huwelijk en gericht op voortplanting. Wat afwijkt, is gevaarlijk. Meisjes, verondersteld maagd te zijn op de huwelijksnacht, worden ‘ingewijd’ door hun echtgenoot, die zijn opleiding buitenshuis geniet. Buitenhuis? Dat is in de kolonie of in de halfpublieke sfeer van bordelen en maisons closes. De negentiende eeuwse kolonisatie en het contact met de Andere begeleidt wonderwel het ontstaan van de dubbele moraal. Hoe de kolonisatie de seksualiteit beïnvloedde, is weinig onderzocht in ons land. Wat we wel zeker zijn is dat antropologen en etnologen graag bloot kieken en filmen terwijl hun vrouwen in het thuisland hun enkel niet eens mogen tonen, laat staan hun ‘donkere continent’ waarbij Freud eufemistisch de edele delen van de vrouw mee aanduidde. In deze tijd wordt de smaak van ‘le bon bourgeois’ complexer. Hij leert ‘praticques honteuses’ en verlangt die van zijn echtgenote. De huismoeders zijn dubbel bedrogen als ze er syfilis op na houden en driedubbel bedrogen als haar doktor foute pillen of siroop tegen de ‘onuitgesproken ziekte’ voorschrijft. Uit de Victoriaanse bordeelliteratuur weten we dat de tarieven voor een maagd stijgen met de syfilisvrees. In het begin van de negentiende eeuw kost een maagd tot 100 pond. Rond 1880 daalt het tarief tot 5 pond, wat niet verklaard moet worden door een dalende vraag, maar door een enorme stijging van het aanbod. Maagdelijkheid is onbeperkt te herstellen. Jawel. Voor wie het niet zou geloven of wie wil weten hoe, het staat te lezen in het boek De oorsprong van de wereld. Feiten en mythen over het vrouwelijk geslacht van Jeltho Drenth. Zie pagina 87.
Ze schrijven het gewenste aantal betrekkingen voor (jonge mannen 2 à 3 keer per week, wie de vijftig nadert driewekelijks en een verbod voor zestig plussers) en zijn ietwat overdreven bekommerd om de hysterische vrouw. Hysterie, Grieks voor baarmoeder, vraagt begeleiding, met baden, massages en het eerste elektrische huishoudtoestel in kranten omschreven als: ‘Aids that every woman appreciates.’ We zagen ze in alle vormen en kleuren, met opschriften en tekeningen. In ‘Livres de confessions’ – een ander object in de tentoonstelling – lees je hoe biechtvaders meisjes bevragen over hun wellust. Paradoxaal genoeg ontdekken meisjes masturbatie in de biechtstoel als de pastoor vraagt: “Waar raak je jezelf en waar doet het deugd?” Toen de medische wereld bewijst dat het orgasme de vruchtbaarheid bevordert, duiken handboeken op voor de genietende vrouw. Maar toch. Vrouwen mag je blijkbaar niet verwennen, want net zij is voorbestemd tot nymfomanie.
Als rond 1840 de ovulatiecyclus ontdekt wordt, is het afgelopen met het vrouwelijk orgasme. Alle medische, religieuze, politieke, juridische spelers zijn het eens: de enige seksualiteit is heteroseksueel, in het huwelijk en gericht op voortplanting. Wat afwijkt, is gevaarlijk. Meisjes, verondersteld maagd te zijn op de huwelijksnacht, worden ‘ingewijd’ door hun echtgenoot, die zijn opleiding buitenshuis geniet. Buitenhuis? Dat is in de kolonie of in de halfpublieke sfeer van bordelen en maisons closes. De negentiende eeuwse kolonisatie en het contact met de Andere begeleidt wonderwel het ontstaan van de dubbele moraal. Hoe de kolonisatie de seksualiteit beïnvloedde, is weinig onderzocht in ons land. Wat we wel zeker zijn is dat antropologen en etnologen graag bloot kieken en filmen terwijl hun vrouwen in het thuisland hun enkel niet eens mogen tonen, laat staan hun ‘donkere continent’ waarbij Freud eufemistisch de edele delen van de vrouw mee aanduidde. In deze tijd wordt de smaak van ‘le bon bourgeois’ complexer. Hij leert ‘praticques honteuses’ en verlangt die van zijn echtgenote. De huismoeders zijn dubbel bedrogen als ze er syfilis op na houden en driedubbel bedrogen als haar doktor foute pillen of siroop tegen de ‘onuitgesproken ziekte’ voorschrijft. Uit de Victoriaanse bordeelliteratuur weten we dat de tarieven voor een maagd stijgen met de syfilisvrees. In het begin van de negentiende eeuw kost een maagd tot 100 pond. Rond 1880 daalt het tarief tot 5 pond, wat niet verklaard moet worden door een dalende vraag, maar door een enorme stijging van het aanbod. Maagdelijkheid is onbeperkt te herstellen. Jawel. Voor wie het niet zou geloven of wie wil weten hoe, het staat te lezen in het boek De oorsprong van de wereld. Feiten en mythen over het vrouwelijk geslacht van Jeltho Drenth. Zie pagina 87.
zaterdag 31 oktober 2009
Kinderhandel deel XI. Studeren kost geld
Dit is een vervolgverhaal. Klik hier voor het eerste deel.
Waar zijn we gebleven?
Marcella, Gaby en Anna trekken naar de vroedschool. We zijn in het begin van de jaren dertig en studeren is niet evident, zeker niet voor meisjes. Die krijgen in de eerste plaats een voorbereiding op hun rol als moeder. En als ze al studeren, ligt de richting in het verlengde van die rol. Verpleegkunde, vroedkunde of sociaal werk zijn per definitie vrouwelijke beroepen.
In die tijd nemen nonnen vaak de verpleegkunde in handen. Voor sociaal werk is het in West-Vlaanderen te vroeg. De eerste sociale scholen in West-Vlaanderen dateren van na WOII.
Motivatie?
De motivatie voor de beroepskeuze varieert bij mijn vroedvrouwen.
Anna Deschrijver spreekt overtuigd van een roeping. Bij Marcella Debusschere ligt het in het verlengde haar moeders activiteiten als volksbaker. Gaby Debaeke en haar ouders vertrouwen op de aanbevelingen van pastoor Spilliaert.
De studie duurt drie jaar: een voorbereidend jaar en twee echte jaren. De toelatingsvoorwaarden uit 1924 bepalen dat de meisjes 18 jaar zijn, een getuigschrift hebben van goede zeden, fysiek geschiktheid moeten zijn en van hun lagere studies volbracht hebben.
Marcella begint haar opleiding in september 1932. Ze is welgeteld 16 jaar. Hoe rijmt dit met de bovenstaande wet, vraag ik me af?
Gaby Baeke en Anna Deschrijvere zijn achttien als ze de vroedopleiding starten. Ze weten niet wat hen te wachten staat, ze zijn niet voorgelicht, laat staan dat ze een bevalling meemaakten.
Gaby Baeke studeert in het Sint Jan in Brugge, op internaat. De zus van pastoor Spilliaert is er overste van het hospitaal. Boven de kliniek is een moederhuis.
Mutsen haken
Studeren kost geld en Marcella betaalt deels zelf haar studies. Ze haakt mutsen. Die liggen te koop in de kleerwinkel op de Lichterveldse markt In De Vier Seizoenen. 's Morgens verkoopt ze aan het kerkportaal kranten. Als dochter van een kantwerkster en een metser is Marcella zich bewust van haar sociale klasse. Ze weet dat boerendochters een voetje voor hebben bij de nonnen. Die brengen cadeau's mee bij het begin en het einde van het schooljaar. Ook Gaby Baeke besteedt elke frank zinvol om de opleiding te betalen. “Wij zijn arm en kunnen de opleiding niet betalen. Met vijf broers en twee zussen wonen we in een klein huise, naast Kletje Slunses (Vandevoorde), een oud wijveke dat met Charles Pollefeit getrouwd is en rommel verzamelt. Op aandringen van de pastoor mag ik de studie toch aanvangen” vertelt ze. “Hoe we dit betaalden, weet ik niet. Ik zie mezelf nog staan met de vuile schorten, tussen de propere Brugse dames. De welgestelde studentes dragen elke dag een ander schort. Ik doe daar langer mee. De vuile plekken neem ik er bij.”
Marcella houdt haar facturen goed bij. In de schoolrekeningen ontdek ik dat ze in Sint Anna studeert aan de Sint Annarei nr. 6 en 7.. Nu is dat de provinciale vroedvrouwenschool. De bestuurster is een zekere V. Jongbloet.
De wet voorziet dat de studentes er tijdens de week en soms in het weekend inslapen. Marcella houdt contact met het thuisfront via postkaartjes. Afhankelijk van het weer gaat zij met de trein of met de fiets naar school. Eén keertje komt haar vader ze ophalen met de moto, hoor ik zeggen.
Postkaartjes
Via postkaartjes houdt mijn oma contact met het thuisfront. De foto op het kaartje toont wat er van de studentes verwacht wordt: een ijverige en communicatieve studeerhouding en hoe een klaslokaal er idealiter uitziet: met voldoende didactisch materiaal.
In haar voorbereidende jaar koopt ze een zwarte palto als uniform en werkkledij voor 238 frank. Ze betaalt 272 frank voor vier kleedjes en 118 frank voor een zwarte wijle. Verder koopt ze vijf witte wijlen en twee bandjes voor 32 frank, drie paar kousen voor 53,25 frank, een initiale (15 frank) en vier schorten (88 frank). Haar boeken over kinderverpleging, algemene gezondheidsleer, “grootte levensverschynselen”, “begrippen van bacteriënleer en ontleedkunde” en “verrichtingsleer” en diverse cahiers kosten ongeveer 75 frank.
Het gebruik van bed, lavabo en kamer zijn kosteloos in het voorbereidende jaar.
Op de schoot
Ik schuif haar rekeninguittreksels opzij en herinner me dat ik bij oma op de schoot zit. Regelmatig vertelt ze verhalen uit haar studententijd en hoe de nonnen haar het leven zuur maken. Zo is er het verhaal van de te koude kinderbadjes. “We laten het kinderbad vollopen en met onze pols voelen we af de badwatertemperatuur geschikt is, te koud: fout, te warm: alarm. Ik vind de temperatuur geschikt, maar de non houdt zich bezig en meet de temperatuur als het bad afgekoeld is."
Met opzet? Dat wist ze niet, maar ze had wel een grondig vermoeden. "Later heb ik papflessen betaald die ik zogezegd gebroken had.”
De onderhoudskosten (wat die ook mogen zijn) belopen voor het schooljaar 1932-1933 2.750 frank, Marcella krijgt 1.000 frank tegemoetkoming van het moederhuis. Dat de studies duur zijn bewijst de aanvangswedde van een vroedvrouw in 1936. Die bedraagt 10.000 frank per jaar.
---
Zie hiervoor mijn eerste (geschiedenis)boek. WYDOOGHE B. Nieuwe tijden, nieuwe noden, nieuwe oplossingen. Een halve eeuw opleiding tot welzijnswerker aan de katholieke sociale hogeschool Ipsoc in Kortrijk, Lannoo, Tielt, 2000.
Waar zijn we gebleven?
Marcella, Gaby en Anna trekken naar de vroedschool. We zijn in het begin van de jaren dertig en studeren is niet evident, zeker niet voor meisjes. Die krijgen in de eerste plaats een voorbereiding op hun rol als moeder. En als ze al studeren, ligt de richting in het verlengde van die rol. Verpleegkunde, vroedkunde of sociaal werk zijn per definitie vrouwelijke beroepen.
In die tijd nemen nonnen vaak de verpleegkunde in handen. Voor sociaal werk is het in West-Vlaanderen te vroeg. De eerste sociale scholen in West-Vlaanderen dateren van na WOII.
Motivatie?
De motivatie voor de beroepskeuze varieert bij mijn vroedvrouwen.
Anna Deschrijver spreekt overtuigd van een roeping. Bij Marcella Debusschere ligt het in het verlengde haar moeders activiteiten als volksbaker. Gaby Debaeke en haar ouders vertrouwen op de aanbevelingen van pastoor Spilliaert.
De studie duurt drie jaar: een voorbereidend jaar en twee echte jaren. De toelatingsvoorwaarden uit 1924 bepalen dat de meisjes 18 jaar zijn, een getuigschrift hebben van goede zeden, fysiek geschiktheid moeten zijn en van hun lagere studies volbracht hebben.
Marcella begint haar opleiding in september 1932. Ze is welgeteld 16 jaar. Hoe rijmt dit met de bovenstaande wet, vraag ik me af?
Gaby Baeke en Anna Deschrijvere zijn achttien als ze de vroedopleiding starten. Ze weten niet wat hen te wachten staat, ze zijn niet voorgelicht, laat staan dat ze een bevalling meemaakten.
Gaby Baeke studeert in het Sint Jan in Brugge, op internaat. De zus van pastoor Spilliaert is er overste van het hospitaal. Boven de kliniek is een moederhuis.
Mutsen haken
Studeren kost geld en Marcella betaalt deels zelf haar studies. Ze haakt mutsen. Die liggen te koop in de kleerwinkel op de Lichterveldse markt In De Vier Seizoenen. 's Morgens verkoopt ze aan het kerkportaal kranten. Als dochter van een kantwerkster en een metser is Marcella zich bewust van haar sociale klasse. Ze weet dat boerendochters een voetje voor hebben bij de nonnen. Die brengen cadeau's mee bij het begin en het einde van het schooljaar. Ook Gaby Baeke besteedt elke frank zinvol om de opleiding te betalen. “Wij zijn arm en kunnen de opleiding niet betalen. Met vijf broers en twee zussen wonen we in een klein huise, naast Kletje Slunses (Vandevoorde), een oud wijveke dat met Charles Pollefeit getrouwd is en rommel verzamelt. Op aandringen van de pastoor mag ik de studie toch aanvangen” vertelt ze. “Hoe we dit betaalden, weet ik niet. Ik zie mezelf nog staan met de vuile schorten, tussen de propere Brugse dames. De welgestelde studentes dragen elke dag een ander schort. Ik doe daar langer mee. De vuile plekken neem ik er bij.”
Marcella houdt haar facturen goed bij. In de schoolrekeningen ontdek ik dat ze in Sint Anna studeert aan de Sint Annarei nr. 6 en 7.. Nu is dat de provinciale vroedvrouwenschool. De bestuurster is een zekere V. Jongbloet.
De wet voorziet dat de studentes er tijdens de week en soms in het weekend inslapen. Marcella houdt contact met het thuisfront via postkaartjes. Afhankelijk van het weer gaat zij met de trein of met de fiets naar school. Eén keertje komt haar vader ze ophalen met de moto, hoor ik zeggen.
Postkaartjes
Via postkaartjes houdt mijn oma contact met het thuisfront. De foto op het kaartje toont wat er van de studentes verwacht wordt: een ijverige en communicatieve studeerhouding en hoe een klaslokaal er idealiter uitziet: met voldoende didactisch materiaal.
In haar voorbereidende jaar koopt ze een zwarte palto als uniform en werkkledij voor 238 frank. Ze betaalt 272 frank voor vier kleedjes en 118 frank voor een zwarte wijle. Verder koopt ze vijf witte wijlen en twee bandjes voor 32 frank, drie paar kousen voor 53,25 frank, een initiale (15 frank) en vier schorten (88 frank). Haar boeken over kinderverpleging, algemene gezondheidsleer, “grootte levensverschynselen”, “begrippen van bacteriënleer en ontleedkunde” en “verrichtingsleer” en diverse cahiers kosten ongeveer 75 frank.
Het gebruik van bed, lavabo en kamer zijn kosteloos in het voorbereidende jaar.
Op de schoot
Ik schuif haar rekeninguittreksels opzij en herinner me dat ik bij oma op de schoot zit. Regelmatig vertelt ze verhalen uit haar studententijd en hoe de nonnen haar het leven zuur maken. Zo is er het verhaal van de te koude kinderbadjes. “We laten het kinderbad vollopen en met onze pols voelen we af de badwatertemperatuur geschikt is, te koud: fout, te warm: alarm. Ik vind de temperatuur geschikt, maar de non houdt zich bezig en meet de temperatuur als het bad afgekoeld is."
Met opzet? Dat wist ze niet, maar ze had wel een grondig vermoeden. "Later heb ik papflessen betaald die ik zogezegd gebroken had.”
De onderhoudskosten (wat die ook mogen zijn) belopen voor het schooljaar 1932-1933 2.750 frank, Marcella krijgt 1.000 frank tegemoetkoming van het moederhuis. Dat de studies duur zijn bewijst de aanvangswedde van een vroedvrouw in 1936. Die bedraagt 10.000 frank per jaar.
---
Zie hiervoor mijn eerste (geschiedenis)boek. WYDOOGHE B. Nieuwe tijden, nieuwe noden, nieuwe oplossingen. Een halve eeuw opleiding tot welzijnswerker aan de katholieke sociale hogeschool Ipsoc in Kortrijk, Lannoo, Tielt, 2000.
vrijdag 30 oktober 2009
Tijd voor een nieuw experiment
Sinds kort doceer ik het vak geschiedenis aan afstandstudenten. Om de nadelen van dat afstandsleren te ondervangen, gebruiken we Blogger. Dat levert niets dan voordelen op. Ik som ze op.
1. Bloggen maakt het mogelijk om het leerproces op afstand te volgen.
2. De studenten hebben naast Facebook contact met elkaar en er ontstaat een dialoog over de cursusinhoud.
3. Verder geef ik als docent regelmatig feedback, iets wat bij ‘grote’ taken veel moeilijker is.
4. Bovendien leert de student met het schrijven van relatief korte berichtjes niet alleen de geschiedenisles, de student leert ook:
5. refereren
6. synthesevaardigheden
7. schrijfvaardigheden en
8. ict-vaardigheden.
9. Via hun blog betrekken ze de geschiedeniscursus in hun eigen omgeving. Wie een film, theaterstuk of televisieprogramma zag dat verband houdt met de cursus linkt dit op zijn blog. Dat zorgt voor bonuspunten.
10. Andere bonuspunten vallen te verdienen door suggesties, commentaren of reflecties te geven bij de collega-studenten. Het is hen tenslotte toegelaten om bemerkingen te maken over andere cursussen of persoonlijke schrijfsels toe te voegen, de blog hoeft niet strikt vak-gerelateerd te zijn.
Dat allemaal in de stille hoop van de docent, dat ze zullen blijven bloggen (en dus reflecteren) na afloop van de cursus.
De opdracht klinkt relatief eenvoudig.
Elke student maakte een blog aan om er zijn of haar inzichten (concreet zijn dit samenhangen tussen chronologieën, oorzaken en gevolgen, definities, personages, gebeurtenissen) te verwoorden. Schrijf minstens tien blogberichten over de cursus. Eén bericht is ongeveer 1 A4 tekstbladzijde, lettergrootte 12 (titel en referenties niet meegerekend).
Wie kortere berichten verkiest, schrijft meer berichten. Het totale aantal berichten verwoorden inzichten uit alle delen van de cursus, geen blinde vlekken dus.
En de cursus? Die bestaat uit het boek ‘De zorg en de staat’ van Abraham de Swaan. Verder gebruiken ze fragmenten uit Milan Kundera’s ‘De ondraagelijke lichtheid van het bestaan’ en L.F Célines ‘Reis naar het einde van de nacht.’ Er is de prachttekst ‘Over de noodzaak van tuinieren’ van Gerrit Komrij (op basis van die tekst ging ik trouwens geschiedenis studeren, stel je voor) en ‘De markt van welzijn en geluk’ van Hans Achterhuis. De cursus rondt af met een tekst over de heksenwaan en een reportage over de belangrijkste intellectueel van de twintigste eeuw, Noam Chomsky.
Wie de blogspottende studenten wil volgen of gewoon eens piepen om het experiment te bekijken kan dat. U bent welkom. Ze zijn met tien, geloof ik. Corrigeer me als ik fout ben. (Studenten die hun link niet in het lijstje hieronder zien staan, bestaan niet.)
Natuurlijk ben ik optimistisch over dit nieuwe leersysteem. als de participerende studenten kritischer zijn of nadelen ervaren aan het systeem, gelieve dat hieronder te melden.
---
http://cathy-detijdvantoen.blogspot.com
http://philipdenoyette.blogspot.com
http://nataschataecke.blogspot.com
http://evelienverdonck.blogspot.com
http://lynneclaerebout.blogspot.com
http://maartenth.blogspot.com
http://leencoen.blogspot.com
http://fatam0r9ana.blogspot.com
http://melaatsen.blogspot.com
http://historische-benaderingen.blogspot.com
http://armoededoorheendejaren.blogspot.com
http://mijngeschiedkundigeverwondering.blogspot.com
Een student E-cultuur werkt zijn project uit op: http://ecultuur.blogspot.com.
1. Bloggen maakt het mogelijk om het leerproces op afstand te volgen.
2. De studenten hebben naast Facebook contact met elkaar en er ontstaat een dialoog over de cursusinhoud.
3. Verder geef ik als docent regelmatig feedback, iets wat bij ‘grote’ taken veel moeilijker is.
4. Bovendien leert de student met het schrijven van relatief korte berichtjes niet alleen de geschiedenisles, de student leert ook:
5. refereren
6. synthesevaardigheden
7. schrijfvaardigheden en
8. ict-vaardigheden.
9. Via hun blog betrekken ze de geschiedeniscursus in hun eigen omgeving. Wie een film, theaterstuk of televisieprogramma zag dat verband houdt met de cursus linkt dit op zijn blog. Dat zorgt voor bonuspunten.
10. Andere bonuspunten vallen te verdienen door suggesties, commentaren of reflecties te geven bij de collega-studenten. Het is hen tenslotte toegelaten om bemerkingen te maken over andere cursussen of persoonlijke schrijfsels toe te voegen, de blog hoeft niet strikt vak-gerelateerd te zijn.
Dat allemaal in de stille hoop van de docent, dat ze zullen blijven bloggen (en dus reflecteren) na afloop van de cursus.
De opdracht klinkt relatief eenvoudig.
Elke student maakte een blog aan om er zijn of haar inzichten (concreet zijn dit samenhangen tussen chronologieën, oorzaken en gevolgen, definities, personages, gebeurtenissen) te verwoorden. Schrijf minstens tien blogberichten over de cursus. Eén bericht is ongeveer 1 A4 tekstbladzijde, lettergrootte 12 (titel en referenties niet meegerekend).
Wie kortere berichten verkiest, schrijft meer berichten. Het totale aantal berichten verwoorden inzichten uit alle delen van de cursus, geen blinde vlekken dus.
En de cursus? Die bestaat uit het boek ‘De zorg en de staat’ van Abraham de Swaan. Verder gebruiken ze fragmenten uit Milan Kundera’s ‘De ondraagelijke lichtheid van het bestaan’ en L.F Célines ‘Reis naar het einde van de nacht.’ Er is de prachttekst ‘Over de noodzaak van tuinieren’ van Gerrit Komrij (op basis van die tekst ging ik trouwens geschiedenis studeren, stel je voor) en ‘De markt van welzijn en geluk’ van Hans Achterhuis. De cursus rondt af met een tekst over de heksenwaan en een reportage over de belangrijkste intellectueel van de twintigste eeuw, Noam Chomsky.
Wie de blogspottende studenten wil volgen of gewoon eens piepen om het experiment te bekijken kan dat. U bent welkom. Ze zijn met tien, geloof ik. Corrigeer me als ik fout ben. (Studenten die hun link niet in het lijstje hieronder zien staan, bestaan niet.)
Natuurlijk ben ik optimistisch over dit nieuwe leersysteem. als de participerende studenten kritischer zijn of nadelen ervaren aan het systeem, gelieve dat hieronder te melden.
---
http://cathy-detijdvantoen.blogspot.com
http://philipdenoyette.blogspot.com
http://nataschataecke.blogspot.com
http://evelienverdonck.blogspot.com
http://lynneclaerebout.blogspot.com
http://maartenth.blogspot.com
http://leencoen.blogspot.com
http://fatam0r9ana.blogspot.com
http://melaatsen.blogspot.com
http://historische-benaderingen.blogspot.com
http://armoededoorheendejaren.blogspot.com
http://mijngeschiedkundigeverwondering.blogspot.com
Een student E-cultuur werkt zijn project uit op: http://ecultuur.blogspot.com.
woensdag 30 september 2009
Kinderhandel X. Een brief van Modest
Een paar dagen terug krijg ik een mail van Modest.
Ik leer Modest Maertens zo'n vijftien jaar geleden kennen. In die tijd ben ik overdag geschiedenisstudent, 's avonds schrijf ik voor een krant en in het weekend proberen we een jeugdhuis van de grond te krijgen.
Als beginnend reporter (het moet één van mijn eerste interviews geweest zijn) en als beginnende geschiedenisstudent rij ik op een donkere avond met mijn VW-Santana richting Brugge, ik geloof naar Assebroek. Op de agenda staat een interview met een ex-Lichterveldenaar die me onbekend is.
Modest Maertens is geboren in Lichtervelde net op het moment dat Marcella op de vroedschool zit, op 25 mei 1932. Dat was een woensdag, ondek ik via een handige zoekmachine, waar je je eigen geboortedag kan opzoeken.
De (ongeschoolde) vroedvrouw Beatrice Vandenberghe (Torhout 1897 - Lichtervelde 1996, huwde Richard Degraeve en is moeder van Diana) zet Modest op de wereld. Ze werkt doorgaans alleen. Ze assisteert enkel dokters bij moeilijke bevallingen. Het zou een gewoonte blijven in de komende jaren. Moeilijke bevallingen met een dokter, probleemloze zonder dokter. Modest groeit als jongeling op in Lichtervelde - hij woont een kwarteeuw op de markt, het kloppende dorpshart, als kind volgt hij de lokale tweede wereldoorlog van dichtbij, later studeert hij in de normaalschool in Torhout en geeft daarna algemene vakken in Congo, Assebroek en Oostkamp.
Op het moment dat ik Modest leer kennen is hij net op pensioen. Om zijn tijd te vullen schrijft hij. Hij zoekt geschiedkundige fait-divers, hij sprokkelt historische verbanden en maakt hiermee geschiedenis, onder het motto "geschiedschrijving is te lange tijd beperkt gebleven tot reeksen bloedige veldslagen en ruziënde vorstenhuizen, alsof de wereld slechts bestond uit generaals en koningen. Pas sinds enige jaren is er plaats gekomen voor de rol van de kleine mens in het grote wereldgebeuren, en vooral voor het leed dat hem berokkend heeft." Zo staat het te lezen in zijn (naar mijn mening) zeer indrukwekkende boek: 'De stille strijd van Eugeen Callewaert.'
Lichtervelde interesseert hem. Lichtervelde laat Modest niet meer los, en Modest laat Lichtervelde niet meer los. Het boek dateert uit 1995 en vertelt de bijzonder pijnlijke gebeurtenissen die Lichtervelde tijdens en kort na de tweede wereldoorlog meemaakte, over het ongeluksgetal dertien...
Mijn grootmoeder zou er zo nu en dan in bedekte termen over spreken, maar ze zou er vooral over zwijgen. Tot op heden hangt er een eigenaardige, mysterieuze sfeer rond het onderwerp.
Ik kom er later op terug.
---
Van: Benedict Wydooghe [mailto:benedict.wydooghe@katho.be]
Verzonden: woensdag 30 september 2009 21:48
Aan: modest.maertens
Onderwerp: Marcella
Dag Modest,
Bedankt voor je lange brief. Ik steek er wat van op. Echt.
Fijn om dit te lezen.
In het boekje van oma lees ik dat Gerda De Winne niet geboren is op 26 juni 1943, maar op 28 juni. Heeft Marcella een schrijffout begaan? Als dat niet zo is, dan was 28 juni een drukke dag voor Marcella. Gerda De Winne is geboren om 4 uur in de namiddag, in de Kortemarkstraat. Ze is het dertigste kind dat Marcella dat jaar ter wereld zet. Die dag zou haar lang bijblijven. Veel tijd voor nazorg is er niet, want in de Roeselarestraat in Beveren wacht een andere kraamvrouw op haar. Om half negen 's avonds bevalt Paula Vannieuwenhuyse van een dochtertje, Monique. En nog blijft het doorwerken voor Marcella. In het holst van de nacht, we zijn dan al 29 juni, helpt ze de vrouw van Clement Vandecaveye, Marie Dedecker in de Oude Bruggeweg met een tweeling. Jeannette wordt geboren om 1 uur 45, haar broer André een uur later.
Voor de rest is Marcella's dagboek karig met gegevens.
Je spreekt in je mail over een geboorte in mei 1939. Wel, in mijn living hangt een foto die enkele dagen daarna getrokken is, namelijk op 17 mei. Op die foto staat Marcella samen met haar moeder Marie in groep te poseren voor een bus, ze zijn net aangekomen in Lourdes.
Vul de historie gerust aan als er je wat te binnenschiet.
Alle groeten en tot snel,
bw
Van: Modest Maertens [mailto:modest.maertens@telenet.be]
Verzonden: zaterdag 26 september 2009 11:14
Aan: benedict.wydooghe
Onderwerp: Marcella
Beste Benedict,
Ik had je al eerder moeten antwoorden, veel eerder, dit ter gelegenheid van je mail, destijds. Ik lees De Weekbode met een maand vertraging en dit keer kon ik er niet naast kijken en werd ik de facto op mijn plicht gewezen.
Marcella met foto in de krant. Marcella met hoofddoek, er is niets nieuws onder de zon. Met enige verbeelding zie ik ook een westers geciviliseerde burka.
Nu ter zake.
Mijn schoonzus Mariette Verduyn is geboren te Lichtervelde op 6 mei 1939.
Een andere schoonzus, Annie De Winne is geboren te Lichtervelde op 7 mei 1939.
Nog een andere schoonzus, Gerda De Winne is eveneens te Lichtervelde geboren op 26 juni 1943. Laatstgenoemde is dus zeker opgenomen in de dagboeken van Marcella.
In die context is de rol van moeder Marie, zus van Irma Tampere, uit het modehuis De Vier Seizoenen en een oude buurvrouw van mij, even belangrijk. Mantelzorg avant la lettre!
Marie had voor en na de interventie van Marcella een belangrijke rol in de voor- en nazorg van de bevalling. Zo stond Marie in mei 1939 voor de verschroeiende keuze wie van haar diensten kon genieten: de familie Verduyn of de familie De Winne. Trouw aan het principe "Wie eerst komt, eerst maalt" ging Marie aan de slag bij de familie De Winne met toen al zes ukkepukken.
Marie wist van aanpakken, geen kouwe drukte, de handen aan de ploeg en voortdoen. Zo moest mijn vrouw, 12 jaar in juni 1943, rond de geboorte van haar zus Gerda op bevel van Marie karnemelkpap maken voor het avondmaal. Pap met 'klietebrood van 't comiteit'.
Diezelfde avond was er bloemenhulde in de kerk ter gelegenheid van het feest van het H. Hart en de zuster van het zesde studiejaar had de meisjes op het hart gedrukt aldaar aanwezig te zijn met een boeketje bloemen uit de tuin.
Afwezigheid stond gelijk aan het begaan van een zware zonde, i.c. doodzonde waardoor de kansen op een hemels leven aanzienlijk geslonken waren of tot nul herleid.
Het koken van de pap ontspoorde en mijn vrouw, bewust van de rangorde van de levenswaarden, liet de pap voor wat hij was om zeker de plechtigheid in de kerk niet te missen.
Het blijft gissen naar het vervolg van het verhaal.
Bij de geboorte van Gerda was Marie al op post en zond, in afwachting van de komst van Marcella, alle kinderen naar buiten om 'ges te trekken voor de keuns'.
Bij hun thuiskomst met een volle jutezak gras was de bevalling voorbij en waren zij een zusje rijker.
Zou men armoe lijden om een mondje meer?
Tot slot nog een woordje over je opa, Petrus Vanneste. Ik meen dat die man afkomstig was van Sint-Henricus en als dusdanig goed gekend door de vele zusters Vanderper eveneens woonachtig in die 'côté'.
Tot hun verrassing verscheen Petrus, alias Pier, in zekere tijd als tewerkgestelde werkloze bij de bezetter, op de markt in Lichtervelde.
In het gemeentehuis waren een twintigtal paarden van de Duitsers gestald en Pier moest elke dag die paarden roskammen.
Dat werkje intrigeerde mij en ik kwam in gesprek met Pier die zich voorstelde als een Tsjech.
Een Tsjech van België voegde hij er verduidelijkend aan toe. Ik durfde geen andere vragen stellen. Een Tsjech van België, dat ging mijn petje te boven.
Ik worstelde met een nieuw geografisch verschijnsel dat ik associeerde met een feit uit 1940 toen mijn oom Gaspard Vanhoutteghem, echtgenoot van Elisabeth Vanderper, in Nazareth (O.-Vl.) verbleef als krijgsgevangene.
Nazareth was het Heilig land, heel ver van België, zo vertelde juffrouw Wenes, interimaris voor de gemobiliseerde Julien Pape, in het tweede studiejaar.
Naderhand ben ik er wel in geslaagd beide anomalieën te situeren.
Met groet,
Modest
Ik leer Modest Maertens zo'n vijftien jaar geleden kennen. In die tijd ben ik overdag geschiedenisstudent, 's avonds schrijf ik voor een krant en in het weekend proberen we een jeugdhuis van de grond te krijgen.
Als beginnend reporter (het moet één van mijn eerste interviews geweest zijn) en als beginnende geschiedenisstudent rij ik op een donkere avond met mijn VW-Santana richting Brugge, ik geloof naar Assebroek. Op de agenda staat een interview met een ex-Lichterveldenaar die me onbekend is.
Modest Maertens is geboren in Lichtervelde net op het moment dat Marcella op de vroedschool zit, op 25 mei 1932. Dat was een woensdag, ondek ik via een handige zoekmachine, waar je je eigen geboortedag kan opzoeken.
De (ongeschoolde) vroedvrouw Beatrice Vandenberghe (Torhout 1897 - Lichtervelde 1996, huwde Richard Degraeve en is moeder van Diana) zet Modest op de wereld. Ze werkt doorgaans alleen. Ze assisteert enkel dokters bij moeilijke bevallingen. Het zou een gewoonte blijven in de komende jaren. Moeilijke bevallingen met een dokter, probleemloze zonder dokter. Modest groeit als jongeling op in Lichtervelde - hij woont een kwarteeuw op de markt, het kloppende dorpshart, als kind volgt hij de lokale tweede wereldoorlog van dichtbij, later studeert hij in de normaalschool in Torhout en geeft daarna algemene vakken in Congo, Assebroek en Oostkamp.
Op het moment dat ik Modest leer kennen is hij net op pensioen. Om zijn tijd te vullen schrijft hij. Hij zoekt geschiedkundige fait-divers, hij sprokkelt historische verbanden en maakt hiermee geschiedenis, onder het motto "geschiedschrijving is te lange tijd beperkt gebleven tot reeksen bloedige veldslagen en ruziënde vorstenhuizen, alsof de wereld slechts bestond uit generaals en koningen. Pas sinds enige jaren is er plaats gekomen voor de rol van de kleine mens in het grote wereldgebeuren, en vooral voor het leed dat hem berokkend heeft." Zo staat het te lezen in zijn (naar mijn mening) zeer indrukwekkende boek: 'De stille strijd van Eugeen Callewaert.'
Lichtervelde interesseert hem. Lichtervelde laat Modest niet meer los, en Modest laat Lichtervelde niet meer los. Het boek dateert uit 1995 en vertelt de bijzonder pijnlijke gebeurtenissen die Lichtervelde tijdens en kort na de tweede wereldoorlog meemaakte, over het ongeluksgetal dertien...
Mijn grootmoeder zou er zo nu en dan in bedekte termen over spreken, maar ze zou er vooral over zwijgen. Tot op heden hangt er een eigenaardige, mysterieuze sfeer rond het onderwerp.
Ik kom er later op terug.
---
Van: Benedict Wydooghe [mailto:benedict.wydooghe@katho.be]
Verzonden: woensdag 30 september 2009 21:48
Aan: modest.maertens
Onderwerp: Marcella
Dag Modest,
Bedankt voor je lange brief. Ik steek er wat van op. Echt.
Fijn om dit te lezen.
In het boekje van oma lees ik dat Gerda De Winne niet geboren is op 26 juni 1943, maar op 28 juni. Heeft Marcella een schrijffout begaan? Als dat niet zo is, dan was 28 juni een drukke dag voor Marcella. Gerda De Winne is geboren om 4 uur in de namiddag, in de Kortemarkstraat. Ze is het dertigste kind dat Marcella dat jaar ter wereld zet. Die dag zou haar lang bijblijven. Veel tijd voor nazorg is er niet, want in de Roeselarestraat in Beveren wacht een andere kraamvrouw op haar. Om half negen 's avonds bevalt Paula Vannieuwenhuyse van een dochtertje, Monique. En nog blijft het doorwerken voor Marcella. In het holst van de nacht, we zijn dan al 29 juni, helpt ze de vrouw van Clement Vandecaveye, Marie Dedecker in de Oude Bruggeweg met een tweeling. Jeannette wordt geboren om 1 uur 45, haar broer André een uur later.
Voor de rest is Marcella's dagboek karig met gegevens.
Je spreekt in je mail over een geboorte in mei 1939. Wel, in mijn living hangt een foto die enkele dagen daarna getrokken is, namelijk op 17 mei. Op die foto staat Marcella samen met haar moeder Marie in groep te poseren voor een bus, ze zijn net aangekomen in Lourdes.
Vul de historie gerust aan als er je wat te binnenschiet.
Alle groeten en tot snel,
bw
Van: Modest Maertens [mailto:modest.maertens@telenet.be]
Verzonden: zaterdag 26 september 2009 11:14
Aan: benedict.wydooghe
Onderwerp: Marcella
Beste Benedict,
Ik had je al eerder moeten antwoorden, veel eerder, dit ter gelegenheid van je mail, destijds. Ik lees De Weekbode met een maand vertraging en dit keer kon ik er niet naast kijken en werd ik de facto op mijn plicht gewezen.
Marcella met foto in de krant. Marcella met hoofddoek, er is niets nieuws onder de zon. Met enige verbeelding zie ik ook een westers geciviliseerde burka.
Nu ter zake.
Mijn schoonzus Mariette Verduyn is geboren te Lichtervelde op 6 mei 1939.
Een andere schoonzus, Annie De Winne is geboren te Lichtervelde op 7 mei 1939.
Nog een andere schoonzus, Gerda De Winne is eveneens te Lichtervelde geboren op 26 juni 1943. Laatstgenoemde is dus zeker opgenomen in de dagboeken van Marcella.
In die context is de rol van moeder Marie, zus van Irma Tampere, uit het modehuis De Vier Seizoenen en een oude buurvrouw van mij, even belangrijk. Mantelzorg avant la lettre!
Marie had voor en na de interventie van Marcella een belangrijke rol in de voor- en nazorg van de bevalling. Zo stond Marie in mei 1939 voor de verschroeiende keuze wie van haar diensten kon genieten: de familie Verduyn of de familie De Winne. Trouw aan het principe "Wie eerst komt, eerst maalt" ging Marie aan de slag bij de familie De Winne met toen al zes ukkepukken.
Marie wist van aanpakken, geen kouwe drukte, de handen aan de ploeg en voortdoen. Zo moest mijn vrouw, 12 jaar in juni 1943, rond de geboorte van haar zus Gerda op bevel van Marie karnemelkpap maken voor het avondmaal. Pap met 'klietebrood van 't comiteit'.
Diezelfde avond was er bloemenhulde in de kerk ter gelegenheid van het feest van het H. Hart en de zuster van het zesde studiejaar had de meisjes op het hart gedrukt aldaar aanwezig te zijn met een boeketje bloemen uit de tuin.
Afwezigheid stond gelijk aan het begaan van een zware zonde, i.c. doodzonde waardoor de kansen op een hemels leven aanzienlijk geslonken waren of tot nul herleid.
Het koken van de pap ontspoorde en mijn vrouw, bewust van de rangorde van de levenswaarden, liet de pap voor wat hij was om zeker de plechtigheid in de kerk niet te missen.
Het blijft gissen naar het vervolg van het verhaal.
Bij de geboorte van Gerda was Marie al op post en zond, in afwachting van de komst van Marcella, alle kinderen naar buiten om 'ges te trekken voor de keuns'.
Bij hun thuiskomst met een volle jutezak gras was de bevalling voorbij en waren zij een zusje rijker.
Zou men armoe lijden om een mondje meer?
Tot slot nog een woordje over je opa, Petrus Vanneste. Ik meen dat die man afkomstig was van Sint-Henricus en als dusdanig goed gekend door de vele zusters Vanderper eveneens woonachtig in die 'côté'.
Tot hun verrassing verscheen Petrus, alias Pier, in zekere tijd als tewerkgestelde werkloze bij de bezetter, op de markt in Lichtervelde.
In het gemeentehuis waren een twintigtal paarden van de Duitsers gestald en Pier moest elke dag die paarden roskammen.
Dat werkje intrigeerde mij en ik kwam in gesprek met Pier die zich voorstelde als een Tsjech.
Een Tsjech van België voegde hij er verduidelijkend aan toe. Ik durfde geen andere vragen stellen. Een Tsjech van België, dat ging mijn petje te boven.
Ik worstelde met een nieuw geografisch verschijnsel dat ik associeerde met een feit uit 1940 toen mijn oom Gaspard Vanhoutteghem, echtgenoot van Elisabeth Vanderper, in Nazareth (O.-Vl.) verbleef als krijgsgevangene.
Nazareth was het Heilig land, heel ver van België, zo vertelde juffrouw Wenes, interimaris voor de gemobiliseerde Julien Pape, in het tweede studiejaar.
Naderhand ben ik er wel in geslaagd beide anomalieën te situeren.
Met groet,
Modest
donderdag 24 september 2009
Kinderhandel IX. Heks
Dit is een vervolgverhaal. Klik hier voor het eerste deel.
LAURENT JOUBERT, Volksdwalingen, 1579
De geschiedenis van de vroedkunde begint uiteraard niet bij grootmoeder. Het beroep is zo oud als de straat. Toen Marcella Debusschere begin jaren dertig in de vroedschool arriveert, krijgt ze echter weinig historisch inzicht in haar vak. Lessen focussen op het medische en de geneeskunde. Haar beroep medicaliseert, zeg maar ingepalmd door de medische wetenschap, enkele eeuwen eer. Het verleden is voor een vroedschool in de jaren dertig minder belangrijk. Men focust pragmatisch op het heden. De uitspraak geldt tot op zeker hoogte voor de hedendaagse vroedopleidingen… Echter, vroedkunde is eeuwenlang een discipline die los staat van het medische. Daarover schrijf ik vandaag.
Vruchtbaarheid en bevallen is magisch
Dat komt de jonge Marcella met mondjesmaat en vooral na de school te weten. Ik maak een uitwijding die ver terugkeert, zoekend naar het verband tussen vroedkunde, magie en hekserij.
Het thema is niet nieuw. Ik word er voor het eerst terloops mee geconfronteerd als student op de sociale school en later vrij grondig op de universiteit. Toen al vond ik het een fascinerend thema. Professor Soly - mijn promotor - snijdt het onderwerp aan in een college mentaliteitsgeschiedenis. Het thema liet me sindsdien niet meer los.
Wat je hier leest, is het resultaat van vijftien jaar sprokkelen naar gegevens en verbanden. De kritische eenentwintigste - eeuwer die dit moeilijk zal geloven, krijgt een uitgekiende bibliografie om er zelf mee aan de slag te gaan. Ik daag hem uit het tegendeel te bewijzen.
Waar begin ik? Even ademhalen.
Omstreeks de twaalfde, dertiende eeuw zien we dat de kloosters hun medische kennis afstaan aan de prille universiteiten. V(roed)rouwen en nonnen verliezen zodoende hun toegang tot de academische, wetenschappelijke mannenbastions. Niettemin blijft verloskunde tot het begin van de zeventiende eeuw exclusief in vrouwenhanden. Een arts die zich in 1522 in Hamburg in dameskleren hult om een bevalling mee te maken, wordt levend verbrand.
Brute pech.
De kennis van de ‘wijze’ vrouwen steunt op ervaring en overlevering, en dat blijft zo tot het begin van de zeventiende eeuw.
Het dragen en werpen van een kind is in die tijd omgeven door magische rituelen. Wie niet ingewijd is, vindt kruidenkennis, de vruchtafdrijving en het opwekken van de melkproductie geheimzinnig.
De Maleus Maleficarum
Deze handleiding om heksen te vervolgen uit 1486 wijdt een hoofdstuk aan “vroedvrouwen die tevens heks zijn.” Hun kwaad bestaat er in ongedoopte kinderen “te vermoorden en (…) hen op godslasterlijke wijze aan demonen aan te bieden.” Het zieltje en het lichaampje van de ongedoopte belandt zo bij de duivel. Bovendien, zo wil het volksgeloof, verwerken die vroedvrouwen dode kinderen in brouwsels en wisselen ze gezonde kinderen tegen misvormde of gehandicapte en dus duivelse kinderen…
Enfin, om een lang verhaal kort te maken, vroedkunde begeeft zich op de flinterdunne lijn tussen leven en dood en is zowel bron van respect én van achterdocht. Er is geen rationele verklaring voor ziekte, kwaal of dood en de schuld voor een doodgeboorte of een handicap schuift de gemeenschap logischerwijze graag in iemands schoenen. De vroedvrouw staat op de eerste rij. Zowel wantrouwen als applaus zijn haar nabij.
Tijdens de middeleeuwen is hekserij of magie een alledaagsheid die onbestraft blijft. In de renaissance en tijdens godsdiensttroebelen keert de situatie. Eind zestiende, begin zeventiende eeuw bereikt de heksenvervolging hier een hoogtepunt. Dan verandert de maatschappij drastisch: van een agrarische, irrationele ordening, naar een modern, rationele, ja pre-industriële samenleving.
Vrouwelijk bijgeloof, mannelijke wetenschap
In deze periode begeven steeds meer mannen zich met hun academische kennis en empirische methoden op het terrein van geneeskunde en verloskunde. Maar, tussen ons gezegd, ze kennen er niets van. Dat valt ook af te leiden uit talloze bronnen. Vroedvrouwen beschikkenen over eeuwenoude, mondeling doorgegeven kennis, en die is vooralsnog ontoegankelijk voor de man. Het tijdvak kenmerkt zich door vrouwonvriendelijkheid en een verstrengd doen en laten van vroedvrouwen.
Na het concilie (1545-1563) zweren vroedvrouwen (van onberispelijk gedrag) pasgeboren kinderen binnen drie dagen te dopen, ook doodgeboren kinderen. Wie de regel niet naleeft, wordt aangegeven. Geestelijke mannen worden opgeleid om nooddoop uit te voeren terwijl het kind in de baarmoeder of het geboortekanaal steekt. De instrumenten die ze hiervoor gebruiken bezorgen vrouwen nog steeds kippenvel. Tegelijk beloven vroedvrouwen geen ‘wondermiddelens’ te gebruiken en onderschikken ze zich aan de mannelijke geneeskunde die hen in een verzorgende rol dringt. Zwangerschap wordt een ziekte. De gespecialiseerde vrouwenarts, de gynaecoloog, is een man die praat in termen van genezen en herstellen.
Laat ons concretiseren
Op 23 oktober 1684 wordt Martha van Wetteren verbrand in Belsele. Ze is 38 en heeft net een kind op de wereld gezet. Beschuldiging? Ze gebruikte magie (hekserij dus): ze genas schapen van de pokken, deed graan groeien en vond een gestolen koe terug. Voor zover we weten is dit de laatst verbrande heks in Vlaanderen. In de meeste steden doven de brandstapels vroeger: in Brussel in 1595, de laatste verbranding vond in Antwerpen in 1603 plaats, in Leuven in 1612 en in Brugge in 1634.
Magie bestond en bestaat. Sinds het einde van de heksenprocessen overleeft het als een marginaal fenomeen, maar het bestaat (in andere culturen is het niet marginaal). Magie is te definiëren als het geloof in priesters, heksen, tovenaars, magiërs en vroedvrouwen die via rituelen helpen bij het overleven in de onzekere, agrarische wereld. Concreet gaat het over het beïnvloedden van de vruchtbaarheid (onder meer via schoonheidscrèmes en seksuele functies), het genezen en het voorspellen van de toekomst, één voor één belangrijke zaken in een onzekere wereld. Tot de vijftiende eeuw is magie probleemloos en wordt het nauwelijks bestraft. De hoeveelheid bronnen toont dat magie geen marginaal verschijnsel is, integendeel. De bevolking vindt de gebruiken normaal. Een onderscheid tussen magie en wetenschap, tussen geloof en bijgeloof is er niet. Wiskunde, astrologie, handlezen vloeien probleemloos in elkaar over. In de vijftiende eeuw verandert die houding. Een vraag waar historici hun tanden op breken, is waarom de heksenverbrandingen net in de Renaissance plaatsgrepen. Ik belicht de keerzijde van de renaissancemedaille. De kennis van de vroedvrouw bevindt zich van oudsher op het machtskruispunt waar de staat (de registratie van het kind), de wetenschap (hoe beval je?) en het geloof (de doop) samenkomen.
In de zestiende eeuw creëren de staatvormingsprocessen, de wetenschappelijke belangstelling voor de oudheid, de reformatie en de contrareformatie een gemeenschappelijke vijand: de vrouw (80 procent van alle magische beschuldigingen betreft vrouwen) die magie (en dus ook verloskunde) bedrijft.
Dit wederkerig belang van wetenschap, kerk en staat materialiseert zich in 1. de vermannelijking van de wetenschap, 2. in een herkerstening en 3. in het strafrecht.
Ik leg uit.
1. De prille wetenschap verdrijft vrouwen uit de medische stand. De opkomende mannelijke geneeskunde tolereert niet langer het vrouwelijke bijgeloof en wordt geteund door de kerk die de onprofessionele genezing gelijkstelt aan ketterij. Die kerk houdt bovendien toezicht op die wetenschap. Artsen oefenen geen praktijk uit zonder priester en behandelen geen patiënten die de biecht weigeren. Tijdens de heksenjacht stelt de kerk onprofessionele hulp gelijk aan ketterij. "Als een vrouw het waagt om te genezen zonder gestudeerd te hebben, is zij een heks en moet zij sterven." Het onderscheid tussen "vrouwelijk" bijgeloof en "mannelijke" wetenschap wordt duidelijk tijdens het heksenproces.
2. Het onderscheid tussen "vrouwelijk" bijgeloof en "mannelijke" wetenschap kristalliseert zich uit als de godsdiensttroebelen een hoogtepunt bereiken: de herkerstening gebeurt door het uitbannen van bijgeloof.
3. Hekserij verdwijnt in de 18de eeuw uit het strafrecht. Daarvoor is het fenomeen te marginaal.
Samengevat en verder onderzoek...
In de zestiende en zeventiende eeuw slaan kerk, wetenschap en staat de handen in elkaar om de scheiding tussen hun actieterreinen te voltrekken. Op dat actieterrein bevindt zich de gemeenschappelijke vijand van de heks, die religieuze, wetenschappelijke én bestuurlijke aspiraties heeft.
Na de processen medicaliseert en vermannelijkt de vroedkunde. Kerk, staat en wetenschap beperken de taak van de vroedvrouwen. Gecompliceerde bevallingen en instrumenten zijn voor chirurgijnen, heel- of vroedmeesters. Is het toevallig dat tijdens de heksenprocessen de oudste vroedvrouwenscholen ontstaan die vrouwen opleiden onder het (deskundige) mannelijke oog?
Dit moet uiteraard nader onderzocht worden. Voor Brugge werken de jaartallen alvast inspirerend. Wie onderzoekt de verbanden in andere steden?
“Ik vind het goed en billijk dat de vrouwen onder
elkaar hun huismiddeltjes gebruiken, en dat de
vroedvrouwen hun eventuele ervaring en
bekwaamheden benutten.”
LAURENT JOUBERT, Volksdwalingen, 1579
De geschiedenis van de vroedkunde begint uiteraard niet bij grootmoeder. Het beroep is zo oud als de straat. Toen Marcella Debusschere begin jaren dertig in de vroedschool arriveert, krijgt ze echter weinig historisch inzicht in haar vak. Lessen focussen op het medische en de geneeskunde. Haar beroep medicaliseert, zeg maar ingepalmd door de medische wetenschap, enkele eeuwen eer. Het verleden is voor een vroedschool in de jaren dertig minder belangrijk. Men focust pragmatisch op het heden. De uitspraak geldt tot op zeker hoogte voor de hedendaagse vroedopleidingen… Echter, vroedkunde is eeuwenlang een discipline die los staat van het medische. Daarover schrijf ik vandaag.
Vruchtbaarheid en bevallen is magisch
Dat komt de jonge Marcella met mondjesmaat en vooral na de school te weten. Ik maak een uitwijding die ver terugkeert, zoekend naar het verband tussen vroedkunde, magie en hekserij.
Het thema is niet nieuw. Ik word er voor het eerst terloops mee geconfronteerd als student op de sociale school en later vrij grondig op de universiteit. Toen al vond ik het een fascinerend thema. Professor Soly - mijn promotor - snijdt het onderwerp aan in een college mentaliteitsgeschiedenis. Het thema liet me sindsdien niet meer los.
Wat je hier leest, is het resultaat van vijftien jaar sprokkelen naar gegevens en verbanden. De kritische eenentwintigste - eeuwer die dit moeilijk zal geloven, krijgt een uitgekiende bibliografie om er zelf mee aan de slag te gaan. Ik daag hem uit het tegendeel te bewijzen.
Waar begin ik? Even ademhalen.
Omstreeks de twaalfde, dertiende eeuw zien we dat de kloosters hun medische kennis afstaan aan de prille universiteiten. V(roed)rouwen en nonnen verliezen zodoende hun toegang tot de academische, wetenschappelijke mannenbastions. Niettemin blijft verloskunde tot het begin van de zeventiende eeuw exclusief in vrouwenhanden. Een arts die zich in 1522 in Hamburg in dameskleren hult om een bevalling mee te maken, wordt levend verbrand.
Brute pech.
De kennis van de ‘wijze’ vrouwen steunt op ervaring en overlevering, en dat blijft zo tot het begin van de zeventiende eeuw.
Het dragen en werpen van een kind is in die tijd omgeven door magische rituelen. Wie niet ingewijd is, vindt kruidenkennis, de vruchtafdrijving en het opwekken van de melkproductie geheimzinnig.
De Maleus Maleficarum
Deze handleiding om heksen te vervolgen uit 1486 wijdt een hoofdstuk aan “vroedvrouwen die tevens heks zijn.” Hun kwaad bestaat er in ongedoopte kinderen “te vermoorden en (…) hen op godslasterlijke wijze aan demonen aan te bieden.” Het zieltje en het lichaampje van de ongedoopte belandt zo bij de duivel. Bovendien, zo wil het volksgeloof, verwerken die vroedvrouwen dode kinderen in brouwsels en wisselen ze gezonde kinderen tegen misvormde of gehandicapte en dus duivelse kinderen…
Enfin, om een lang verhaal kort te maken, vroedkunde begeeft zich op de flinterdunne lijn tussen leven en dood en is zowel bron van respect én van achterdocht. Er is geen rationele verklaring voor ziekte, kwaal of dood en de schuld voor een doodgeboorte of een handicap schuift de gemeenschap logischerwijze graag in iemands schoenen. De vroedvrouw staat op de eerste rij. Zowel wantrouwen als applaus zijn haar nabij.
Tijdens de middeleeuwen is hekserij of magie een alledaagsheid die onbestraft blijft. In de renaissance en tijdens godsdiensttroebelen keert de situatie. Eind zestiende, begin zeventiende eeuw bereikt de heksenvervolging hier een hoogtepunt. Dan verandert de maatschappij drastisch: van een agrarische, irrationele ordening, naar een modern, rationele, ja pre-industriële samenleving.
Vrouwelijk bijgeloof, mannelijke wetenschap
In deze periode begeven steeds meer mannen zich met hun academische kennis en empirische methoden op het terrein van geneeskunde en verloskunde. Maar, tussen ons gezegd, ze kennen er niets van. Dat valt ook af te leiden uit talloze bronnen. Vroedvrouwen beschikkenen over eeuwenoude, mondeling doorgegeven kennis, en die is vooralsnog ontoegankelijk voor de man. Het tijdvak kenmerkt zich door vrouwonvriendelijkheid en een verstrengd doen en laten van vroedvrouwen.
Na het concilie (1545-1563) zweren vroedvrouwen (van onberispelijk gedrag) pasgeboren kinderen binnen drie dagen te dopen, ook doodgeboren kinderen. Wie de regel niet naleeft, wordt aangegeven. Geestelijke mannen worden opgeleid om nooddoop uit te voeren terwijl het kind in de baarmoeder of het geboortekanaal steekt. De instrumenten die ze hiervoor gebruiken bezorgen vrouwen nog steeds kippenvel. Tegelijk beloven vroedvrouwen geen ‘wondermiddelens’ te gebruiken en onderschikken ze zich aan de mannelijke geneeskunde die hen in een verzorgende rol dringt. Zwangerschap wordt een ziekte. De gespecialiseerde vrouwenarts, de gynaecoloog, is een man die praat in termen van genezen en herstellen.
Laat ons concretiseren
Op 23 oktober 1684 wordt Martha van Wetteren verbrand in Belsele. Ze is 38 en heeft net een kind op de wereld gezet. Beschuldiging? Ze gebruikte magie (hekserij dus): ze genas schapen van de pokken, deed graan groeien en vond een gestolen koe terug. Voor zover we weten is dit de laatst verbrande heks in Vlaanderen. In de meeste steden doven de brandstapels vroeger: in Brussel in 1595, de laatste verbranding vond in Antwerpen in 1603 plaats, in Leuven in 1612 en in Brugge in 1634.
Magie bestond en bestaat. Sinds het einde van de heksenprocessen overleeft het als een marginaal fenomeen, maar het bestaat (in andere culturen is het niet marginaal). Magie is te definiëren als het geloof in priesters, heksen, tovenaars, magiërs en vroedvrouwen die via rituelen helpen bij het overleven in de onzekere, agrarische wereld. Concreet gaat het over het beïnvloedden van de vruchtbaarheid (onder meer via schoonheidscrèmes en seksuele functies), het genezen en het voorspellen van de toekomst, één voor één belangrijke zaken in een onzekere wereld. Tot de vijftiende eeuw is magie probleemloos en wordt het nauwelijks bestraft. De hoeveelheid bronnen toont dat magie geen marginaal verschijnsel is, integendeel. De bevolking vindt de gebruiken normaal. Een onderscheid tussen magie en wetenschap, tussen geloof en bijgeloof is er niet. Wiskunde, astrologie, handlezen vloeien probleemloos in elkaar over. In de vijftiende eeuw verandert die houding. Een vraag waar historici hun tanden op breken, is waarom de heksenverbrandingen net in de Renaissance plaatsgrepen. Ik belicht de keerzijde van de renaissancemedaille. De kennis van de vroedvrouw bevindt zich van oudsher op het machtskruispunt waar de staat (de registratie van het kind), de wetenschap (hoe beval je?) en het geloof (de doop) samenkomen.
In de zestiende eeuw creëren de staatvormingsprocessen, de wetenschappelijke belangstelling voor de oudheid, de reformatie en de contrareformatie een gemeenschappelijke vijand: de vrouw (80 procent van alle magische beschuldigingen betreft vrouwen) die magie (en dus ook verloskunde) bedrijft.
Dit wederkerig belang van wetenschap, kerk en staat materialiseert zich in 1. de vermannelijking van de wetenschap, 2. in een herkerstening en 3. in het strafrecht.
Ik leg uit.
1. De prille wetenschap verdrijft vrouwen uit de medische stand. De opkomende mannelijke geneeskunde tolereert niet langer het vrouwelijke bijgeloof en wordt geteund door de kerk die de onprofessionele genezing gelijkstelt aan ketterij. Die kerk houdt bovendien toezicht op die wetenschap. Artsen oefenen geen praktijk uit zonder priester en behandelen geen patiënten die de biecht weigeren. Tijdens de heksenjacht stelt de kerk onprofessionele hulp gelijk aan ketterij. "Als een vrouw het waagt om te genezen zonder gestudeerd te hebben, is zij een heks en moet zij sterven." Het onderscheid tussen "vrouwelijk" bijgeloof en "mannelijke" wetenschap wordt duidelijk tijdens het heksenproces.
2. Het onderscheid tussen "vrouwelijk" bijgeloof en "mannelijke" wetenschap kristalliseert zich uit als de godsdiensttroebelen een hoogtepunt bereiken: de herkerstening gebeurt door het uitbannen van bijgeloof.
3. Hekserij verdwijnt in de 18de eeuw uit het strafrecht. Daarvoor is het fenomeen te marginaal.
Samengevat en verder onderzoek...
In de zestiende en zeventiende eeuw slaan kerk, wetenschap en staat de handen in elkaar om de scheiding tussen hun actieterreinen te voltrekken. Op dat actieterrein bevindt zich de gemeenschappelijke vijand van de heks, die religieuze, wetenschappelijke én bestuurlijke aspiraties heeft.
Na de processen medicaliseert en vermannelijkt de vroedkunde. Kerk, staat en wetenschap beperken de taak van de vroedvrouwen. Gecompliceerde bevallingen en instrumenten zijn voor chirurgijnen, heel- of vroedmeesters. Is het toevallig dat tijdens de heksenprocessen de oudste vroedvrouwenscholen ontstaan die vrouwen opleiden onder het (deskundige) mannelijke oog?
Dit moet uiteraard nader onderzocht worden. Voor Brugge werken de jaartallen alvast inspirerend. Wie onderzoekt de verbanden in andere steden?
Abonneren op:
Posts (Atom)

